is toegevoegd aan uw favorieten.

Kautsky's opvatting van het oudste Christendom aan de bronnen getoetst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

argument voor Jezus' communistische sympathieën moet dan zelfs het Johanne'isch bericht over de gemeenschappelijke, door Judas beheerde, kas der Twaalven dienst doen (S. 35 1)!

Terwijl de Messiaansche verwachtingen van het overige Jodendom zuiver nationaal waren, gingen de Christenen verder. Niet alleen het juk der vreemde machthebbers, maar het juk van alle machthebbers, ook der binnenlandsche, moest worden afgeschud. Slechts de vermoeiden en beladenen riepen zij tot zich; de dag des gerichts zou een dag der wraak op alle machtigen en rijken worden. Niet de rassenhaat, maar de klassenhaat was de hartstocht, die hen het hevigst opwond. Daarin lag de kiem der afscheiding van het overige nationaal vereenigde Jodendom, maar ook de kiem der toenadering tot de overige, niet-Joodsche wereld. De nationale Messiasgedachte werkte isoleerend ; de klassenhaat tegen de rijken, de proletarische solidariteit vond bij de armen van alle volkeren een gewillig luisterend oor. Hierin ligt de oorzaak van de gelukkige propaganda der Christenen. Slechts de sociale, niet de nationale Messias kon de grenzen van het Jodendom overschrijden; slechts hij kon zegevierend den val van den Joodschen Staat overleven. Maar in dagen van maatschappelijken achteruitgang, toen alle sociale instincten en gevoelens verzwakten, kon eene communistische organisatie niet anders bestaan blijven dan gesteund door het geloof aan den komenden Messias en de Opstanding; slechts dat bemoedigend geloof deed de menschen heenstappen over de bezwaren, die het toetreden tot een verboden geheim genootschap destijds met zich bracht (S. 401 ff).

Men denke zich den toestand der eerste eeuw in : kolossale rijkdom en macht in handen van weinigen; daarnaast de diepste ellende van slaven, achteruitgaande boeren, handwerkslieden en proletariërs. Het gevolg was eene totale verarming en wanhoop der geheele maatschappij (S. 69 f.). Van dien tijd van verval is het Christendom

96