is toegevoegd aan uw favorieten.

Kautsky's opvatting van het oudste Christendom aan de bronnen getoetst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het product. De zwakke individuen organiseerden zich om van hunne ellende verlost te worden; maar de Keizers waren bevreesd voor zulke vereenigingen en duldden ze daarom niet. Dientengevolge konden ze slechts in het geheim voortbestaan. Het lidmaatschap was levensgevaarlijk. Men waagde zich niet, tenzij er hooge idealen mede waren gemoeid. Derhalve bleven slechts de religieuze vereenigingen bestaan. Dat religieuze was dan echter vorm en niets meer; de inhoud was maatschappelijk: het verlangen om de bestaande troostelooze toestanden te boven te komen en hoogere maatschappelijke vormen te verwerkelijken; slechts in godsdienstig gewaad gestoken waren zulke grootsche sociale doeleinden voor de massa aannemelijk (S. 1 70).

Wie zal in abstracto de mogelijkheid van eene dergelijke verklaring willen betwisten en het brevet van scherpzinnigheid weigeren aan hem, die haar voordraagt ? Niettemin, eene aprioristische constructie ! Wij zagen reeds, hoe zwak de argumenten voor den Christelijken klassenhaat en het Christelijk communisme zijn. Daarvan heeft Kautsky zelf iets gevoeld; hij zegt nl.: „dat men van deze onderstandsorganisatie der oude Christenen zoo bitter weinig in hunne literatuur bemerkt, komt daarvandaan, dat * zij het allen hierover eens waren". „Maar", antwoordt gij allicht verbaasd, „als zij het allen dédrover eens waren, mij dunkt, dan moest er toch juist heel veel van blijken in hunne geschriften . „Misgeraden" herneemt Kautsky, „hunne literatuur is bijna uitsluitend aan polemische doeleinden gewijd (S. 408). Eene bewijsvoering dus, die uit stilzwijgen meer concludeert dan uit de duidelijkst uitgesproken bewoordingen!

Mi] doet ook Kautsky s onderscheiden tusschen vorm en inhoud vreemd aan. Wanneer de enkeling zich boven de ten ondergaande maatschappij verheft en in eene hoogere wereld vergoeding zoekt voor de gebrekkige werkelijkheid, is er dan niet juist sprake van een afzien van het maatschappe97