is toegevoegd aan uw favorieten.

Eene historisch materialistische bestrijding van het christendom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanvang af met de beweging van onszelven ten nauwste verbonden, ontvouwt het zijne volmaaktheden slechts in samenhang met de beweging van onszelven en kan het slechts meer volmaakt worden in dezen samenhang. Ook de volmaking van het menschelijk kenvermogen en de menschelijke kennis is ten nauwste verbonden met de volmaking van de menschelijke praktijk, gelijk wij nog zullen zien. De praktijk is het echter ook, die ons de zekerheid onzer kennis waarborgt. De grenzen der praktijk geven ook de grenzen van onze zekere kennis aan" 0Zeer zeker heeft deze redeneering van Kautsky een kern van waarheid, inzooverre zij menschen geldt, die, als hij zelf, nooit stelselmatig hebben gephilosofeerd. In wetenschap is oefening evenzeer vereischte als in het timmervak, en zonder oefening blijft men een brekebeen. Blijkens zijn geschrijf heeft Kautsky geen wijsgeerige school doorloopen en is derhalve tot oordeelen in dezen onbevoegd; anders had hij toch b.v. geweten dat Hegel het dualisme van Kant overwonnen heeft. De natuur is het redelijke als het bestaande en het denken is het redelijke als het bewuste, dat allengs door de ontwikkeling der menschelijke geschiedenis tot zelfkennis komt: tot kennis van eigen weten, godsdienst, kunst, staat, zeden, productieverhoudingen, taal, zieleleven en lichamelijke functies. Om tot deze machtige zelfkennis te geraken heeft Hegel de methode gevonden en eene proeve van verwerkelijking gegeven in zijne Encyclopaedie, welke verder te ontwikkelen de taak van wijsbegeerte en wetenschap is. Het bewustworden der productieverhoudingen en van haar functie in het leven van individu en maatschappij, is de onvergankelijke verdienste van de beoefenaren van het Historisch Materialisme. Na de grootsche wetenschappelijke synthese van Hegel is het echter eene onvergeeflijke wijsgeerige tekortkoming, dat zij het onderdeel, door hen tot zijn recht gekomen, als het alles beheerschende ') t. a. p. blz. 52 v.

182