is toegevoegd aan uw favorieten.

Eene historisch materialistische bestrijding van het christendom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet meer om de kennis van wat is en was, wat in de ervaring en meestal regelmatig herhaalde ervaring als een afgesloten geheel aanwezig is, maar om het willen en moeten voor de toekomst, die nog geheel en al buiten de ervaring en dus schijnbaar volkomen vrij voor ons ligt" (S. 121). Er is dus vrije speelruimte voor fantasie, wenschen en droomen; geene beperking door ervaring of critiek. De bevolking der „Grosstadt", die op geestelijk gebied den toon aangeeft, is van de natuur vervreemd, het individu is elk houvast der traditie kwijt, het gevoelt eigen onmacht en zoekt steun bij eene buitengewone wonderdoende persoonlijkheid. Men knoopt bij oude godensagen aan, maar die hadden een heel ander karakter. Aan de oude goden werden immers bovenmenschelijke krachten toegekend om zeer nauwkeurig en goed waargenomen werkelijke gebeurtenissen in de natuur te verklaren. Nu werden aan menschen bovennatuurlijke krachten toegekend, om hen gebeurtenissen te kunnen laten bewerken, die nooit waargenomen en onmogelijk waren. Zulke wonderbaarlijke gebeurtenissen mag eene machtige fantasie ook reeds vroeger nu en dan uit de oude godensagen ontwikkeld hebben; haar punt van uitgang vormen zij niet. Maar voor de nieuwe mythe is het wonder punt van uitgang (S. 122 f).

Wij vragen: hoe verklaart Kautsky dan het overoude verschijnsel der tooverij ? Tot de oudste phaze der menschelijke geschiedenis en nog tot den laagsten trap van beschaving in onzen tijd (Batakkers, Fidschi-eilanders) behoort de Shamaan, Medicijnman of Toovenaar, die alle dingen vermag; zeker geen resultaat van het ontvluchten der natuur en de vervreemding van haar in de groote steden. Is het ook wel juist, dat men op het land (S. 105) zich altijd en overal willoos voor de natuurkrachten buigt en deze zich gunstig tracht te stemmen? De geschiedenis van het Indische denken bewijst het tegendeel. Men tracht ze door kennis te beheerschen, zij het al niet door onze

194