Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kautsky doet dit door het aannemen van Babylonische invloeden tijdens de Ballingschap (586—538 v. Chr.). De Joden hadden toen slechts een stamgod, den krijgsgod Jahwe „nichts weniger als ethisch" (S. 240). Het ethisch monotheïsme echter is de vrucht van hooge geestelijke ontwikkeling; de cultuur was daarvoor in Kanaan niet ontwikkeld genoeg; dus valt er invloed van eene „Grossstadt" te constateeren. Dergelijke ontwikkeling van polytheïsme tot monotheïsme heeft in Egypte pl.m. 1400 v. Chr. plaats gehad; zelfs heeft Amenhotep IV dit monotheïsme tot staatsgodsdienst willen verheffen, maar zijne hervorming heeft toen niet standgehouden. Dit feit kan op Israël geen invloed hebben gehad; maar wel eene analoge ontwikkeling in Babel, waar de hoogstaande priesterschap tot eene meer geestelijke Godsopvatting is gekomen, al is het ook niet „direct bezeugt" : dit moet Kautsky erkennen. Deze priesterschap had er echter 't grootste belang bij, dat het volk van deze geheime leer onkundig zou blijven, daar anders de cultus van het polytheïsme niets meer zou opbrengen !

Deze verklaring hangt van halve en heele onjuistheden aan elkander. Het Joodsche monotheïsme toch bestond reeds vóór de Ballingschap: in de 8e eeuw was het al door de groote profeten verkondigd; het ethisch element, dat de Joden reeds voor hunne komst in ICanaan in Jahwe vereerden, was onder Kanaanietische invloeden teruggedrongen. De godsdienst der profeten is deels een teruggrijpen op het oude geloof en een negeeren van later ingeslopen polytheïsme, deels een verdiepen van het religieuze besef. Daardoor kwamen zij met het volksgeloof in strijd. Zij waren het ook, die het strenge verbod van beeldendienst handhaafden en een zuiver ethisch monotheïsme leerden. Nog vóór de Ballingschap werd deze hervorming praktisch doorgezet in de Wet van Deuteronomium (621 v. Chr.). V oortaan mocht alleen te Jeruzalem worden ge213

Sluiten