is toegevoegd aan uw favorieten.

Vaderlandsliefde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den bodem des lands tegen eiken aanval te beschermen. Elke oorlog is misdadig, die niet klaarblijkelijk een verdedigingsoorlog is en zij is slechts klaarblijkelijk en stelliglijk een verdedigingsoorlog, als de landsregeering aan de vreemde regeering waarmee zij in geschil is, voorstelt het geschil door scheidsrechterlijke uitspraak te beslissen".

De laatste zinsnede van dit socialistisch wetsartikel voert ons tot een anderen kant van het valsche begrip: vaderlandsliefde. Men pleegt dit te vereenzelvigen met het gevoel voor „nationale eer". Het scherpst is dit uitgedrukt in de bekende Engelsche spreuk: right or wrong, my country, — of het gelijk dan ongelijk heeft, het is mijn vaderland en dus verdedig ik het, kom ik er voor op. Beestachtiger leuze, het zij met bescheidenheid gezegd, kan ik mij moeilijk denken. Toch behoort zij tot den alom-aanvaarden inventaris van de vaderlandsliefde in den overgeleverden vorm. Hier heeft men nu juist een goed kriterium, waaraan men de socialistische opvatting van vaderlandsliefde met de burgerlijke kan meten. Wij zijn sinds eenige jaren in de periode der arbitragetraktaten tusschen verschillende natiën. Sedert de stichting van het Haagsche Vredeshof is dat een diplomatieke mode geworden, die voor de diplomaten dit goede heeft, dat zij die heeren, wier arbeid nog al eens als voor den vrede niet ongevaarlijk wordt beschouwd, met een goedkoope aureool van vredelievendheid omgeeft. Inderdaad is het niet veel anders dan schijn, want, tenzij het gaat tusschen mogendheden als bijvoorbeeld Servië en Denemarken, die moeilijk oorlog met elkaar kunnen voeren, wordt in die traktaten steevast de bepaling gevonden, dat de verplichting tot onderwerping van geschillen aan scheidsrechterlijke uitspraak, niet geldt voor geschillen die de „nationale eer" raken. Dat heet dan een eisch van vaderlandsliefde om in kwesties van „nationale eer" geen „inmenging van derden" te dulden. De sociaal-demokraten echter hebben in alle parlementen ter wereld, waarin zij vertegenwoordigd zijn, eenstemmig aanstonds den eisch doen hooren, dat die klausule tot uitschakeling der geschillen van „nationale eer" uit de scheidsrechterlijke uitspraak, vervallen zou. Zij kennen geen „nationale eer die gediend zou zijn met handhaving van onrecht. Zij kennen geen vaderlandsliefde die zou noodzaken eer boven recht te stellen. Zij meenen de liefde tot hun land het best in toepassing te brengen, wanneer zij dat land nimmer den bodem