Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ter beoordeeling van deze daad der revolutionaire regeering moeten wij rekening houden met de onderscheiding die ik zoo even maakte tusschen kloostergoederen enz. en goederen die men meer in engeren zin kerkegoederen kan noemen. ]) De kloostergoederen waren nationaal eigendom verklaard, omdat er geen bezitters meer van waren aan te wijzen, bona vacantia dus. Met welk recht zouden dan uit deze nationale goederen de predikanten van éénc kerkelijke gezindheid tractementen ontvangen met uitsluiting van de dienaars der andere gezindheden ? Nu de gereformeerde kerk haar positie als geprivilegieerde kerk verloor, was het recht dat zij geen traktementen meer ontving uit de goederen die een nationaal bezit waren.

Doch onrechtvaardig was dat goederen, die aan een bepaalde kerk hadden toebehoord en haar onttrokken waren tot een richtig beheer, nu nationaal eigendom werden verklaard, terwijl de eigenaresse nog bestond.

Dit was kerkroof, spoliatie.

En onbillijk, onopvoedkundig was ook dat de kerken, die gedurende een tijdperk van twee en een halve eeuw geleefd hadden van de inkomsten van vroeger genaaste goederen, aangevuld door den Staat, die niet geleerd hadden in eigen onderhoud te voorzien, nu als het ware onvoorbereid genoodzaakt werden een werk te doen dat zij niet geleerd hadden. Een welmeenend vader of opvoeder doet zoo niet. En vader Staat van de Revolutie beriep zich nog wel immer op zijn gezond verstand, op zijn redelijkheid. Uit deze daad sprak een revolutionaire gezindheid tegenover de Kerk. .. . ,

Wie evenwel het onderste uit de kan wil hebben krijgt «allicht het deksel op zijn neus. Een spreekwoord aan de keuken ontleend, maar ervaren door de Staatslieden van dien tijd opzichtens ons artikel. Nederland was te zeer gehecht aan zijn Gereformeerde Kerk, dan dat het deze „spoliatie" duldde en hevig verzet noopte den Wetgever van 1801 om bij art. zooveel van de Staatsregeling uit het jaar 1801 te verklaren: „ieder kerkgenootschap blijft onherroepelijk in het bezit van hetgeen met den aanvang dezer eeuw door hetzelve wierd bezeten". Mocht er nu dan al recht geschieden tegenover de vroeger bevoorrechte Kerk, een onbillijkheid bleef bestaan tegenover die kerkelijke gezindheden, die vroeger

1) Zie voor deze onderscheiding de brochure van Dr. van Lonkhuyzen. Ik noem die brochure omdat die onder ieders bereik ligt. Hij dan zegt pag. 19: „Het voorgaande resunieerende komen wij tot de conclusie, dat onder de Republiek toch in hoofdzaak twee rubrieken van goederen waren voor godsdienstig gebruik bestemd : a. de goederen behooorende tot den localen dienst des Woords, waaronder begrepen werd kerke-pastorie- en kosteriegoed, deze werden, hoe ook beheerd (plaatselijk ofgewesteliikl door de overheid met een geheel ander oog aangezien en met geheel andere hand behandeld dan de goederen onder: b. de geestelijke goederen, do goederen oorspronkeliik voor meer specifiek Roomsche doeleinden bestemd (kloosters, vicarieen enz.); deze laatste goederen en inkomsten werden in den loop des tijds door de overheid na vernietiging der eigenaars (opheffing der orden) geconfisceerd, of zoo zij in naam bleven bestaan " dan werden de inkomsten door de overheid gebruikt naar welgevallen, in den regel volgens het zeer rekbare //ad pios usus", waaronder dan vooral de predikantstractementen, studiebeurzen en emeritaatsgelden behoorden.

Sluiten