is toegevoegd aan uw favorieten.

De verhouding van kerk en staat in verband met art. 171 der grondwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn beginsel der scheiding. Maar aangezien dat juist niet zijn beginsel was, daarom is het te verklaren dat wij in Genève zoo'n nauw verband zien gelegd tusschen de Overheid en de Kerk. Zoo kunnen wij ook verstaan dat de Presbyterianen in Engeland, teruggekeerd onder Cromwel tot de zuivere kerkregeering, tegenover de Episcopaalsche Staatskerk als het ware konden zeggen : „Zie nu moet gij Staatskerk af worden en laten wij het nu worden, gelijk de Gereformeerde Kerken van Schotland, Zwitserland en Holland ook Staatskerken zijn. ') De roep om scheiding van Kerk en Staat is wel het eerst gehoord in de landen deiCalvinistische hervorming, maar uit den mond van degenen die het in de Gereformeerde Staatskerken niet langer konden vinden. De leus der Independenten was : scheiding van Kerk en Staat, en dat wel, wijl daaruit van zelf moest voortvloeien de volstrekte vrijheid om God te dienen naar de overtuiging hunner conscientie. Derhalve zij eischten de scheiding niet omdat zij meenden met de mannen der Revolutie dat de Staat met den Godsdienst niets van doen heeft, en ook niet omdat voor hen de roeping van den Staat en van de Kerk al klaar was, maar dat in het belang van den godsdienst. De omstandigheden drongen tot scheiding. Voor de revolutionairen was deze eisch een vrucht van hun wijsgeerig staatsrechterlijk uitgangspunt. Voor vele Kerken was het een eisch voortvloeiende uit het praktisch leven, eerst daarna volgde het inzicht, dat deze eisch ook vrucht moet zijn van een goed verstaan der Gereformeerde beginselen. Hier ligt het groote verschil tusschen ons en Hoedemaker. Hoedemaker is idealist. In het gedenkboek ter gelegenheid van zijn 40-jarige ambstbediening"3) wordt dit door zijn dankbare leerlingen en trouwe geestverwanten meer dan eens uitgesproken. Hoedemaker is idealist. Heel de Kerk en heel het Volk, ziedaar het doel van Hoedemaker, zijn scliibbolet. Wat een heerlijk ideaal! Het bekoort mij evengoed als Dr. van Lonkhuyzen, ik wil dat met hem in het naschrift van zijn bochure wel belijden. Ja ook wel dat onze kerken in dit opzicht misschien in haar gedachten-wereld wel eens zondigen „in defectu". Ik spreek van haar gedachten-wereld, want waarlijk in de praktijk van haar leven doelen zij door haar velerlei arbeidzaamheid wel op „heel de Kerk en heel het Volk." De broeders van de „Hoedemakeriaansche" richting staan ons te na in zoovele opzichten, dan dat ik mij eenige te groote scherpheid zou willen veroorloven. Doch waarlijk ik moet ook erkennen, dat hun schrijven en spreken mij soms prikkelt. Zouden wij, die hunne kerkrechterlijke en politieke gedachten niet deelen, minder het oog hebben op heel het Volk? Maar wij rekenen ook met de omstandigheden, met de praktijk,

1) Cf. Calvinisme pag. 28. 2) Gedenkboek, pag. 85, pag. 135. „Dr. Hoedemaker tegenover Dr. Rntgers! Twee achtbare, twee geleerde mannen, beiden Hoogleeraar a'in de Vrije Universiteit, maar overigens tegenvoeters. De man ran de golvende lijn 'tegenover den man van de strakke lijn. De idealist tegenover de realist", pag. 202.

Ook hii is een idealist, die het telkens te kwaad krijgt met de mannen der praktijk.

Een »profeet" van het woord en niet van de daad. Hij zegt de dingen, maar voert ze niet uit".