is toegevoegd aan uw favorieten.

De verhouding van kerk en staat in verband met art. 171 der grondwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken. Zoo volgt dan hieruit, dat wij de door God gewilde verhouding van Staat en Kerk niet anders dan uit de leidende beginselen kunnen te weten komen, die door de Heilige Schrift èn voor de Overheid èn voor de Kerk buiten twijfel zijn gesteld.

Wij komen dan tot de slotsom dat in de Schrift niets wordt gevonden dat wijst op een nauwe verhouding van Staat en Kerk, veeleer worden in het N. T. de sfeer der Overheid en de sfeer der institutaire Kerk, als twee in aard, karakter, bestaanswijs en doel geheel onderscheiden sferen voorgesteld. De Heiland zeide zoo klaar tot Pilatus: „Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne jongeren voor mij gestreden hebben, maar nu is mijn Koninkrijk niet van hier." Ja integendeel ons wordt duidelijk gezegd dat wij niet veel van de Overheid hebben te wachten, zij zal de ware belijders van Christus Kerk vervolgen. Ik zou de rectorale oratie van Prof. van Veen „de christelijke kerk en de machthebbers der wereld"1) eenbreede commentaar willen noemen op deze voorspelling van den Heiland.

De Schrift geeft nergens aan hoe de verhouding van de Overheid tegenover de Kerk moet zijn. Staat en Kerk behooren beide dan ook tot een onderscheiden terrein, de Staat hoort thuis op dat der Gemeene gratie, de Kerk op dat der particuliere. Beiden zijn er om der zonde wille. Ware er geen zonde dan ook geen Overheid, dan ook geen Kerk als instituut.

Nu bij het. feit der zonde dienen deze beide instellingen de eere Gods en het heil der menschen, maar elk op een eigene wijze. De Overheid 1 door dwang, geweld en den sterken arm; de Kerk door overtuiging, door belijdenis, werkende met geestelijke middelen. Beide zijn gebonden aan den geopenbaarde wil van God, gelijk die te kennen is, uit de natuur, uit de geschiedenis en uit de Heilige Schriftuur '). De verhouding gelijk die tusschen beiden door den loop der eeuwen geworden is, is niet gegrond op de Schrift, noch op die des O. of N. V., maar is ter kwader ure ingeslopen. Bij het optreden der Christelijke kerk werd der Kerk wel voorgeschreven hoe zij zich had te gedragen tegenover den Staat, maar der Overheid werd niet met even zoovele woorden gezegd hoe zij moest staan tegenover de Kerk. Eerst stond zij zeer vijandig tegenover de Kerk, zoowel de Joodsche als de Heidensche Overheid, later veranderde deze vijandige houding in een zeer goed gezinde, doch die schadelijk werkte voor de Kerk. De Christelijke gnosis had deze nieuwe verhouding in moeten denken en regelen. Wijl zij dit niet heeft gedaan, hebben èn de Staat èn de

1) „Immers, aldus van Veen, de geschiedenfs doet ons op overtuigende wijze zien, dat deze, voor zoo veel zij zich bezighouden met zaken van kerkelijken aard en op kerkelijk terrein optreden, zich veelal meer laten leiden door overwegingen van staatsbelang of door motieven, aan het zoeken van eigen eer of voordeel ontleend, dan door innige godsdienstige overtuiging," pag. 39. 2) Mij werd de opmerking gemaakt toen ik over deze dingen sprak : de fout is dat n te veel redeneert uit de gemeene gratie, dat blijkt ook daaruit dat u eerst de natuur enz. noemt en dan de schriftuur. Mij dunkt dat ik in dezen met beide voeten op de belijdenis sta, die in art. II zegt dat wij God door twee middelen kennen en dan noemt zij eerst „de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld".