is toegevoegd aan uw favorieten.

De verhouding van kerk en staat in verband met art. 171 der grondwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

late de Staat zich inlichten en adviseeren door de onderscheidene Kerkgemeenschappen op alle terreinen en bij alle die gelegenheden, waarbij Staat en Kerk elkander ontmoeten. Zoo kan de Staat doen en behartigen wat van den Staat is, en de Kerk haar roeping op haar eigen terrein vervullen. Zoo heeft de keizer wat des keizers is en zoo geve men Gode wat Gods is.

Zoo is dan het resultaat waartoe wij komen, dat gelet op het bijzonder terrein dat Staat en Kerk beide door den Heere is aangewezen, er niet zij een opgaan van de Kerk in den Staat, naar den wensch van Rothe, er niet zij een radicale scheiding, niet rekenende met de historie van land en Volk en Kerk naar aller revolutionairen begeerte, er ook niet zij een zoo scherpe scheiding als Vinet eischt, waarbij zelfs de correspondentie tusschen Overheid en Kerk vervalt, en eindelijk er ook niet zij een Overheid die zich partij stelt, een verhouding die riekt naar het „godsdienstig nationalisme", waarvan Hoedemaker niet vrij is, maar er kome een verhouding, een scheiding, naar de uitdrukking van Groen, een onderscheiding van beider terrein, naar beider sfeer van arbeidzaamheid, waarbij goede correspondentie met de Hooge Overheid blijve bestaan om haar van advies te dienen. Zulk een „neutraliteit," die waarlijk niet die der Revolutie is, zulk een „scheiding", als eiscli van de „weiterbildung" in de historie, van de christelijke „gnosis", die de verhouding van Staat en Kerk heeft ingedacht, verlangen wij. Op de vraag, die ik dan in den aanvang van dit deel stelde: Waarom zeide Donner in de Kamer : wij vragen geen subsidie, antwoorden wij: omdat hij een dier mannen was, die meende dat eisch van goed Staatsbeleid en van trouw aan den Koning der Kerk is de propageering van het beginsel der Scheiding van Kerk en Staat in den zin van juiste onderscheiding, juiste afbakening van beider terrein van machtsoefening, met omschrijving van beider eigen karakter en plaats door God aan hen gegeven, om der zonden oorzaak. ')

Doch nu een vraag. Bestaat die onderscheiding nog niet in ons land?

Is er dan in ons land geen scheiding van Kerk en Staat, en dat wel sinds meer dan een halve eeuw ? Er schijnt op dat punt een groote spraakverwarring te heerschen. Toch zijn in deze groote verwarring een paar draden te vinden. Hoe verschillend de sprake ook is, de verscheidenheid voert tot eenheden terug. De voorstanders van de Scheiding van Kerk en Staat beweren bijna allen, hetzij zij tot de linksche of rechtsche partijen behooren, dat in ons land geen scheiding van Kerk en Staat bestaat en de tegenstanders van de scheiding in den zin waarin de bovengenoemden haar willen, beweren dat er in ons land al sinds lang scheiding van Kerk en Staat is. Groen van Prinsterer sprak toen hij weer na een tusschenpoos in de Kamer kwam immer van de

1) Cf. voor dit laatste deel. Kuyper, Gemeene gratie, dl. II, Kerk en Staat, pao-, 88—290. Bovon, Morale Chrétienne dl. II, pag. 388 v.v. 92—, Théorie de la Séparetion de l'église de 1'état.