is toegevoegd aan uw favorieten.

De verhouding van kerk en staat in verband met art. 171 der grondwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe komt het nu dat hij, om dat te betoogen, zich nimmer beroept op uitspraken uit de jaren '48 en '53, en daarna nog eens op een woord van Thorbecke, in 1857 gesproken, als deze zegt: „Wat m\j aangaat, de beteekenis van de stelling: staat en kerk zijn gescheiden, is eenvoudig deze: dat de staat geen kerkelijk karakter heeft, en de kerk volkomen vrij is\ Ik wil best gelooven dat van Leeuwen vele uitspraken van kamerleden uit die dagen aan kan halen, waarin die heeren uitspreken, dat zij de scheiding wenschen en waarin zij daarna betoogen dat bij ons scheiding is. Immers in die jaren '48 en vooral in '53 werd door de wet op de kerkgenootschappen de band tusschen den Staat en de Kerk veel losser, loen werd aangestuurd op de oplossing van het ministerie van Eeredienst, en toen kregen wij liet reglement van 52. En werkelijk, denoppeiv a^'igen beschouwer kon het toen toeschijnen alsof de Kerk, bij name de Ned.

Herv. Kerk, vrij werd. .

En zeer velen hebben dat gemeend. Maar Groen, de man der beginselen, de man met zijn scherpzienden blik, niet maar in het politieke, maar evenzeer in het kerkelijk leven, Groen zag heel goed dat door dit reglement de Ned. Herv. Kerk niet vrij werd. Staatslieden, die meer staatslieden dan trouwe zonen der Kerk, vooral der Gereformeerde „gezindheden

waren, van hen verwondert het mij niet dat zij meenden dat de kerk vrij werd, ik geloof vast dat de mannen die Dr. van Leeuwen noemt, tergoeder trouw spreken van de vrijheid der Kerk, zij wisten heusch me goed, wat een Kerk is, vooral niet wat de Gereformeerde kerk is, zooals de Gereformeerde „gezindheden" haar naar Gods Woord, de Belijdenisschriften en de Kerkorden wilden hebben ; maar Groen kende de \ aderlandsche kerk te goed, dan dat hij zich zou verheugen over die verkregen vrijheid en de „dusgenoemde scheiding". Dr. van Leeuwen ]) citeert een woord van Groen door Thorbecke aangehaald, een woord door Groen gesproken, waarin hij zou gezegd hebben: „De zelfstandigheden der gezindheden, die in vroegere jaren zoo dikwijls met woord en daad-) voorbijgezien werden, de vrijheid der Kerk, is tegenwoordig ook in ons Vaderland bijkans geen voorwerp van tegenspraak meer.'' Zeker ik kan mij voorstellen dat na '48 aldus gesproken werd door hem die zoo begaan was met het lot der zwaar geplaagde en vervolgde Afgescheidenen, nu een einde aan hunne vervolging was gekomen en zij als een zellstandige Kerk werden erkend. Maar ware het nu niet juister geweest om zich voor de bewering alsof Groen ook erkende dat de Scheiding m ons land een

voldongen feit was, zich op woorden van dezen staatsman te beroepen, gesproken na '53 ? Of stuitte men toen misschien op een uitdrukking als deze in de Nederlandsclie gedachten, 2e serie, dl. I, bl. 98: „De vrijheid van 1852 is voortzetting der slavernij onder gewijzigden vorm." Zoo dacht Groen na '52 over de vrijheid der Kerk. Doch Groen stond met alleen. Van Lijnden van Sandenburg (Handel, v. d. Tweede Kamer dei . a en 1) Cf! Dr. van Leeuwen pag. 25. 2) Cf. Groen : De maatregelen tegen de Afgescheidenen.