Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Middelburg, 1869 en Groningen, 1872, genoemd worden. De Synode van Zwolle legde den grond voor onze Theologische School: die van Hoogeveen gaf den eersten stoot aan de zending onder de Heidenen; te Middelburg kwam de vereeniging tot stand tussphen de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk en de Oud-Gereformeerden ; te Groningen sprak de Synode zich duidelijker dan ooit te voren uit over de betrekking

tusschen Kerk en Staat, en het was daar dat het fonds ter ondersteuning • ... ® van Emeriti-predikanten en predikantsweduwen en weezen een algemeen

fonds werd."

Alle provinciën, hebben wederom deze aangelegenheid ter sprake gebracht.

Onder Lett. A der Agenda kwam nu aan de orde: de subsidie- en restitutie-kwestie. Eerst een vraag: Vanwaar de algemeene belangstelling voor deze zaak bij onze Kerken ?

Ik wil u laten lezen wat Gelderland en Groningen op de agenda hadden gebracht en dan ziet gij dat de politiek hier voorgegaan was en de Kerk nu volgde. „De Synode, zoo stelde Gelderland voor, bedanke den Heer van den Berch van Heemstede en allen, die met hem in de 2e kamer voor het goed recht onzer kerk hebben gesproken in betrekking tot art. 168 der grondwet. Zij zende een petitie naar de 2e kamer om het budget van eeredienst te schrappen, wijl door haar subsidie noch restitutie zal worden aangenomen en verzoeke den heer van den Berch van Heemstede e.a. dit haar verlangen krachtig te ondersteunen". Groningen bracht op de agenda: „Groningen oordeelt het wenschelijk dat, met het oog op hetgeen in de Tweede kamer betrekkelijk onze kerk is gebeurd, de Synode op nieuw de subsidie- en restitutiekwestie ernstig bespreke en rijpelijk overwege hoe de gemeenten onzer kerk voortaan hebben te handelen."

Niet alle provincies dachten zoo als Gelderland. Alle elementen die deze zaak tot zulk eene moeielijke en haast niet op te lossen aangelegenheid maken kwamen voor in de adviezen der onderscheiden provincies.

Het langdurig debat kenmerkte zich bij alle verschil van inzicht door waardigheid. Het liep in hoofdzaak over de volgende punten :

„A. Hoe is de eisch tot scheiding van Kerk en Staat, zooals de Synode van Groningen die heeft uitgesproken, in verband met de aanhangige kwestie, te vereenigen met art. 36 der geloofsbelijdenis?

B. Men verklare op nieuw geen gelden van den Staat, onder wat naam of vorm ook, ten bate van de kerk te zullen vragen of aannemen.

C. Wij zullen niet weigeren zoo de Staat, aan het onrecht ons tot nu toe aangedaan een einde wil maken, gelden aan te nemen, doch alleen onder deze voorwaarde, dat daaraan geene bezwarende bepalingen voor de kerk verbonden zijn.

D. Wij moeten blijven bij het beginsel door de Groninger Synode gesteld, en kunnen ons niet verder uitspreken over mogelijke gevallen, die thans echter niet aanwezig zijn".

Sluiten