is toegevoegd aan uw favorieten.

De verhouding van kerk en staat in verband met art. 171 der grondwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 44. In welke positie hebben de ontkomene kerken zich te plaatsen tegenover het Rijk ten opzichte van het landstractement ?

Art. 45. Op welke wijze zullen de ontkomene kerken waken voor het recht der kerken op hare kerkelijke goederen?

Art. 46. Op welke wijze zullen de Bedienaren des Woords hun recht doen gelden op de weduwfondsen, waarin zij dusver bijdroegen?"

De acta van dit convent nu luiden aldus: „Over art. 43—46 wordt vanwege de Commissie door Mr. Th. Heemskerk rapport uitgebracht. Nadat over den inhoud gediscussieerd is en onderscheidene vragen gedaan en beantwoord zijn, wordt het rapport, dat evenals het vorige op voorstel der Commissie nog niet openbaar wordt gemaakt, door de vergadering aangenomen.

Aan de H. H. Mr. L. W. C. Keuchenius, Prof. Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman en Mr. Th. Heemskerk, die vooral op dezen dag de vergadering met hunne adviezen gediend hebben, wordt in haren naam door den praeses dank betuigd. Hierbij wordt nog medegedeeld, dat de drie lieeren, die met hen als rechtsgeleerde adviseurs waren uitgenoodigd (Prof. Mr. B. J. L. Baron de Geer van Jutfaas, Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman (uit Groningen), Prof. Mr. D. P. D. Fabius) volgens daarvan ontvangen bericht, verhinderd waren de vergadering bij te wonen" ').

In de acta van de voorloopige Synodes brengt deze commissie rapporten uit van haar werkzaamheden. Aan den arbeid dezer mannen danken wij de „rechtsgeleerde adviezen", afzonderlijk uitgegeven; en mede aan de vragen door het „convent" gesteld, zijn de prachtige juridische studiën te danken over de kerkelijke goederen. Studiën door mij vroeger een en ander maal genoemd.

Uit het rapport van de laatste „voorloopige Synode" wil ik een gedeelte weergeven, opdat men hoore hoe in de „Nederduitsche Gereformeerde Kerken" in deze aangelegenheid gedacht werd.

„Het kan zijn nut hebben, nog eenmaal zeer kort de beteekenis en de noodzakelijkheid van de gevoerde processen uiteen te zetten, en op enkele punten nogmaals de aandacht te vestigen, ten einde te doen gevoelen, dat het eene zaak geldt, waarbij alle Gereformeerde kerken in ons land hetzelfde belang hebben.

Evenals in '34 en volgende jaren, hebben ook in 1886 de Gereformeerden, die zich aan de onwettige organisatie van 1816 wilden onttrekken, zich op dit standpunt geplaatst, dat alleen die kerken, welke zich hielden aan de Belijdenisschriften der Kerken d e wettige, nooit afgeschafte Dordtsche Kerkenordening, de wettige voortzetting waren van de Gereformeerde kerken in Nederland. Het sprak dus van zelf, dat allen aan wie eemg beheer over of bezit van goederen, welke aan die kerken behoorden, was toevertrouwd, hun mandaat niet mochten nederleggen of aan anderen eenig goed mochten afgeven, tenzij daartoe veroordeeld door de rechterlijke macht. Hadden zij anders gehandeld, dan zouden zij ontrouw ge-

1) Cf. acta convent, pag. 50.