is toegevoegd aan uw favorieten.

De verhouding van kerk en staat in verband met art. 171 der grondwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden zijn óf aan een hoofdbeginsel der Reformatie óf aan hun verplichtingen als beheerders. De rechtsgeleerden, die in deze zaken van advies gediend hebben, waren evenzeer als de predikanten die hen daarbij met hun meerdere kennis van kerkelijke toestanden en rechten voortdurend ter zijde stonden, steeds van oordeel, dat het goed recht aan de zijde der Gereformeerden was, doch tevens overtuigd, dat dit recht moeilijk ingang zou vinden bij de rechterlijke macht. De leden der magistratuur toch, opgegroeid in geheel onjuiste kerkrechterlijke begrippen en onbekend met de beginselen onzer gereformeerde kerkenordening, konden geenszins geacht worden persoonlijk geheel onverschillig te zijn omtrent den uitslag. Van hen was niet te verwachten dat zij geheel onbevooroordeeld zouden zijn. Die overtuiging was mede gegrond op hetgeen in 1834 en later is geschied, toen de rechterlijke autoriteiten, gesteund door bijkans alles wat destijds liberaal was, niet geschroomd hebben, de vervolging tegen de Gereformeerden (Afgescheidenen) mogelijk te maken, en alleen enkele Roomsch-Katholieke rechterlijke ambtenaren weigerden daartoe mede te werken i). Zij, die destijds hun adviezen gaven, hebben dus steeds gewaarschuwd, dat de processen waarschijnlijk konden worden verloten, en dat dus niet alleen alle goederen afgestaan, maar ook vele proceskosten betaald zouden moeten worden.

Toch zijn ook zij gedeeltelijk nog bedrogen uitgekomen. Zij hadden n.1. gehoopt: le. dat de tegenpartij, al ware 't alleen uit eerbied voor eene oprechte overtuiging, zou meewerken, om op de minst kostbare en snelste wijze eene beslissing van de rechterlijke macht te verkrijgen; 2e. dat de rechterlijke macht de beweringen der Gereformeerden zoude onderzoeken

en weêrleggen.

Ongelukkig is noch het een, noch het ander geschied."

„Ten slotte werden, gelijk te verwachten was, de Gereformeerden veroordeeld tot afstand van al wat zij tot dusver hadden bezeten of beheerd

Uit dit rapport blijkt dat de uitgeleide Kerken van '86 voor dezelfde vraag stonden als die van '34. Waarlijk het was niet de lust om proces op proces te voeren, die de Kerken dwong tot die dure processen. Maar het gold hier een beginsel. Dat beginsel was in '34 evengoed begrepen, maar de andere tijdsomstandigheden, de zware vervolging, dwong de vaderen op een andere wijze hun aanspraak op de goederen te laten gelden. De omstandigheden gedoogden toen geen processen, maar alleen smeekschniten; nu kon men processen voeren en moest dat doen, zoo goed men in '34 'smeekschriften moest opstellen om zijn goed recht op de goederen uit te spreken, daardoor betuigde men tevens zich te beschouwen als de

aloude Gereformeerde Kerk.

Maar smeekschriften en processen hebben niet veel uitgewerkt. J»e goederen zijn ons wederrechtelijk ontnomen. Daartoe moest door den rechter, zoowel als door de verdedigers van des rechters uitspraken, door de geleerden en ook ongeleerden in het Kerkrecht de theorie verdei ïgi

T) Ook de rechters te Heerenveen niet, zie boven.