is toegevoegd aan uw favorieten.

De verhouding van kerk en staat in verband met art. 171 der grondwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden, als zouden de goederen niet behooren aan de plaatselijke gemeenten, maar aan de „organisatie". Daartoe pleitte men voor de eenheid van Kerkbestuur en Kerkbelieer. Dan zouden alle aanspraken der Gereformeerden niets gelden. En zoolang de meening van den rechter blijft als in de dagen van '34 en '86 en volgende jaren, zal men den Gereformeerden hun wettig bezit onthouden. De Kerken der „Afscheiding" en der „Doleantie" berusten hierin niet. Zij moeten niet dermate op dit punt insluimeren dat zij meenen dat deze toestand normaal is, zij moeten steeds het oog geopend houden voor hun recht en de aanspraken daarop nooit laten varen. Zij moeten geloof oefenen dat ook deze „verdrukking" licht is en voorbijgaat en ten goede moet mede werken. Op dat recht te staan is heel iets anders dan om subsidie te vragen. Juist als men dat recht uit het oog verliest dan neigt men er toe om subsidie te vragen. Er zijn reeds velen onder onze tegenstanders, die ons het recht op de goederen ontzeggen, maar er sterk voor zijn dat wij gesubsidieerd zullen worden. Dat is een valstrik. Ik zeg niet dat die opzettelijk gespannen wordt, maar dat wij toch voorzichtig zijn en daar niet inloopen. Wij blijven ons recht op de goederen vasthouden. Misschien ware het daarom niet kwaad dat van tijd tot tijd over de goederen hier ol daar weer eens een proces gevoerd werd, hoewel ik de tijd daarvoor nog niet geschikt acht. Wij moeten in dezen het geloof oefenen gelijk wij dit lezen in de laatste rede van prof. H. de Cock. „En waar door 1852 alle vroegere verklaringen der afzonderlijke gemeenten, die haar den schijn konden geven alsof zij zelve erkenden van zeer jeugdigen leeftijd te zijn, zijn te niete gedaan, kwam de Kerk, d.i. de Vereenigde Gemeenten, in eene verhouding tot de Regeering te staan, die het haar volkomen vrij laat, zoodra zij meent dit te kunnen, hare aanspraak te laten gelden op al de goederen, die aan de Gereformeerde gezindheid, toekomen. Komt er nog eens eenmaal een tijd, al schrijft men dan ook 18 Dec. 1990, dat de goederen van de plaatselijke gemeenten aan de gezindheid en niet aan de corporatie, die Kerk of Kerkgenootschap wordt genaamd, toegekend worden, dan zullen, bij die veranderde gezindheid van de rechterlijke macht onze gemeenten nog blijken, zoo ik hoop, gemeenten te zijn, die onveranderd dezelfde gezindheid hebben behouden.

Afgescheiden om Gereformeerd te kunnen zijn en blijven zal er wel geen rechter gevonden worden onrechtvaardig genoeg om een Afgescheidene gemeente, die bewijst van de Gereformeerde gezindheid te zijn, de goederen te onthouden, die zij aan die gezindheid en niet aan een Kerk of Kerkgenootschap toekent. Hoe we overigens ook over de Kerk en hare verhouding tot de Kerkelijke goederen oordeelen, dit staat meen ik wel boven allen twijfel, dat wanneer er ooit sprake van komt, dat de bezittingen, die thans aan het Hervormd Kerkgenootschap behooren, toegekend worden aan de Gereformeerde Belijdenis, ook onze gemeenten mede in het bezit treden, omdat die Belijdenis of gezindheid de hare is. Zoolang dit niet geschiedt, troosten wij ons, dat de goederen, die eenmaal aan de