is toegevoegd aan uw favorieten.

De verhouding van kerk en staat in verband met art. 171 der grondwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toen liet nog tot loopen onbekwaam was in windselen te wikkelen en in te spelden; maar dan ook nu, nu liet kindeke een man is geworden, veilig kan gaan. Die meening is de mijne niet, en ik wenscli daarom te besluiten met een ander beeld, waarin ik mijn gedachte waag in te kleeden.

Denk u, dat in deze zaal een vaas werd binnengedragen met een zeer doordringend aroma, een aroma, dat den dampkring vervullen, den geest opwekken, en daardoor den levenstoon van wie hier samen zijn, verlioogen kan; dan zal, al werd die vaas ook weer buiten de zaal gebracht, ja, de eerste oogenblikken. liet eerste uur misschien, de atmosfeer nog van dat aroma bezwangerd blijven, maar allengs zou dat levenwekkend element in de atmosfeer dezer kamer toch afnemen en wij van lieverlee terugkeeren tot onze vorige somberheid en dofheid van geest.

Welnu die zaal is de Europeeschc Maatschappij; die vaas de Kerk van Christus; dat doordringend aroma het Evangelie. Door dat Evangelie is de levenstoon van onze maatschappij verhoogd, en liooger geworden dan hij in Azië en Afrika ooit was. Neem nu vrij een oogenblik die christelijke Kerk uit de maatschappij weg, o, dan zal de zedelijke atmosfeer misschien nog lange jaren ongeveer dezelfde blijven ; het aroma was zoo doordringend ; de levenstoon zinkt niet opeens.

Toch ten laatste wel! En daarom, wilt gij den dampkring voortdurend met dat penetrant aroma bezwangerd houden, o, dan raad ik u, brengt dan de vaas terug en laat haar vrij haar geurigen adem over u uitspreiden. Er is geene andere weg 0111 te voorkomen, dat onze Europeesche maatschappij niet terugzinke tot de oude heidensche dofheid en somberheid van toon!''

De rijke beeldspraak zou hier tot onduidelijkheid en verwarring kunnen leiden indien men vergat dat een beeld de werkelijkheid niet is.

Deze beeldspraak goed opgevat leert ons ook het ideaal vasthouden: heel de Kerk en heel het Volk. Maar langs dezen weg alleen, dat de Staat der Kerk niet verhindere haar eigen van God geroepen werk te doen, nl. de dampkring te doorgeuren met liefdegeur van Christus' Kerk.

Zonder beeldspraak kunnen wij Kuypers gedachten over den „neutralen Staat", gelijk hij dien wenscht, lezen in de Gemeene Gratie, waar hij handelt over Kerk en Staat. Eerlijkheid gebiedt dat men de woorden, in casu de woorden „neutralen Staat , opvat 111 de beteekems dooi den auteur daaraan gegeven.

Wij zagen dan welke de overheerschende meening is in de Gereformeerde Kerken over de goederen der Kerk, over de verhouding van Kerk en Staat, gelijk wij die beleden vinden in art. 36, nu rest ons nog te zien wat de Kerken na de vereeniging in de acta harer Synodes hebben uitgesproken in de zaak van subsidie of restitutie.

Rechtstreeks is deze kwestie in hare vergaderingen niet ter sprake gekomen. Andere aangelegenheden waren meer urgent. De finantiëele verhouding kwam in de eerste jaren 11a '92 alleen in de programma's van actie der Antirevolutionaire partij ter sprake. In de latere programma's