Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trad de sociale vraag meer op den voorgrond. Doch indirect hebben de Kerken zich zeer beslist uitgesproken. Wij lezen in Art. 97 van de Synode te Arnhem gehouden: „De Synode besluit: dat het in het algemeen wel gewenscht zou zijn, dat voor sciiolen in Indië, onder leiding van zendende Kerken ingericht, in het geheel geen subsidie wordt aangevraagd: doch aan de zendende Kerken wordt overgelaten, in overleg met de arbeiders op het Zendingsterrein en met de Deputaten der Generale Synode voor de Zending, hoe in de verschillende gevallen, die zich voordoen, moet worden gehandeld. Ook de tweede conclusie, handelende over de aanvrage van subsidie voor de Keuchenius-school, lokt eenige bespreking uit. Met nadruk wordt er op gewezen, dat wel subsidie voor de eerste maar geen subsidie voor de tweede (opleiding van helpers tot den Dienst des Woords) afdeeling mag aangevraagd."

Uit dit besluit blijkt hoe afkeerig de Gereformeerde Kerken van Staatssubsidie zijn. In het Persdebat tusschen de Heraut en Hollandia ]) werd dezelfde onderscheiding gemaakt als hier in dit besluit tusschen de Staatssubsidie voor onze scholen en voor onze Kerken.

Ten slotte nog één uitspraak van recenten datum waaruit blijkt dat onze Kerken tegen Staatssubsidie zijn. Door de wijziging van de Hooger Onderwijswet, was een gewichtige verandering gekomen in den toestand der bijzondere gymnasia. Zij konden toen naar de wet Staatssubsidie verkrijgen. Doch nu was er overwegend bezwaar om die voor het Gymnasium te Kampen te vragen, wijl dit van de Kerken uitging; dat bezwaar zou vervallen, als het werd overgedragen aan eene Yereeniging. ~)

Wat dunkt u zouden de Kerken die er bezwaar inzien om Staatssubsidie te vragen voor de opleiding van helpers tot den Dienst des Woords in Indië, die er bezwaar inzien om deze subsidie te ontvangen voor een gymnasium enkel wijl het van de Kerken uitgaat, zouden die Kerken er geen bezwaar in zien subsidie, ik beweer niet, te vragen maar die zelfs van den Staat te ontvangen ?

Ik meende te moeten aantoonen uit de acta der uitgeleide Kerken van '34 on '86, uit de acta der Synodes dezer Kerken na hare vereeniging in '92, hoe zij dachten over de goederen der Kerk, over de verhouding, gelijk wij die vinden in art. 36 der Geloofsbelijdenis, tusschen Kerk en Staat, en over het vragen of ook ontvangen van Staatssubsidie.

Thans wil ik tot mijne conclusie komen, en nog een laatste woord zeggen over de finantiëele verhouding van Kerk en Staat.

Onder politiek gezichtspunt is er op zich zelfs niets tegen, dat de Overheid aan te arme Kerken middelen van bestaan verzekere, mits ze hierbij het „gelijke monniken gelijke kappen" slechts niet verzake. Voor de Overheid is het van het hoogste belang, en aan het belang van den Staat is het in hooge mate bevorderlijk, dat de Kerken bloeien. Zoo spreekt Kuyper. 3) Daarmede stemt volkomen overeen het woord van Lohman.

1) Zie boven. 2) Verslag van de Nationale vereeniging te Kampen 1906—1907. nag. 11. 3) Gemeene Gratie, dl. II, pag. 260.

Sluiten