is toegevoegd aan uw favorieten.

Hoofdlijnen der paedagogiek van Dr. Herman Bavinck, met critische beschouwing

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch moet ook goed uit de wereld komen. En daar hoort wat toe. Daar moeten we ook rekening mee houden. Oók, óók. Maar dan zijn 't twee dingen. Voor 't aardsche leven wat, voor 't hiernamaals wat. Een dubbelwezen, de mensch. Maar geen organische eenheid. Dit is zeker niet Calvinistisch. En 't is niet vol te houden ook.

Ieder, ook degeen, die de menschen wil nemen „zooals ze zijn", ziet ze als leden van een geheel, hij ziet ze in een bepaalde situatie. En dan is het ongeluk veelal, dat hij in die concreetheid veel te weinig ziet. En dat hij dat weinige in stukken en brokken ziet, — wat ten slotte voor de opvoeding noodlottig wordt. Velen hebben als de ellende van dezen tijd gevoeld, dat er geen eenheid meer in 't leven is. De mensch is dan èn b.v. een koopman, èn al of niet een eerlijk man, èn al of niet een lid van de Kerk èn al of niet lid van de een of andere kunstzinnige of politieke vereeniging, enz. Maar er is geen centrum meer. Dan is 't gevaar groot, dat s mans centrum hij-zelf wordt, met — al schijnt het paradox al de verscheurdheid, die daarvan 't gevolg is.

De groote stroomingen op opvoedkundig gebied, die Dr. Bavinck bespreekt, hebben dan ook altijd ruimer gezichtspunten gehad, dan de toestanden van het oogenblik. Wie slechts enkelen heeft op te voeden, moge het concrete belang op den voorgrond stellen; zij, die over de opvoeding hebben nagedacht, hebben altijd een ruimer verband op 't oog gehad; ze hebben tenminste naar de 'bedoeling een relatie gezocht van den mensch tot het geheel der dingen. Neem b.v. hen, die vooral hebben aangedrongen op ontwikkeling en versterking van het lichaam. Dit is niet slechts omdat het tenslotte aangenamer is, gezond dan ziek, sterk dan zwak te zijn.

Maar hier is een beschouwing van den mensch aan 't woord. Hij is hier gedacht als bloot levend wezen te midden der natuur. Hij maakt daarmee één geheel uit. Hij moet als persoon en soort in stand blijven en in staat zijn om den strijd om het bestaan met succes te voeren te midden van alle gevaren, die zijn leven bedreigen. Daarom moet zijn lichaam sterk zijn. En zijn geestelijke vermogens dienen ten slotte slechts om hem zelf en zijn soort steeds beter dien strijd te doen voeren.