is toegevoegd aan uw favorieten.

Hoofdlijnen der paedagogiek van Dr. Herman Bavinck, met critische beschouwing

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou hij niet mogen nalaten. Hij heeft ook, als handhaver van het recht, niet met de overige gevolgen te maken. Wat die handeling overigens uitwerkt, doet ze niet als straf, maar door bijkomstig gevolg, per accidens. Hieruit volgt, dat de straf, zuiver als straf beschouwd, buiten de opvoeding staat.

Maar deze straf is een handeling, die als elke levenservaring invloed uitoefent op dengene, die ze ondergaat. Zooals een ziekte of ongeval invloed kan oefenen op iemands zedelijke vorming, al zal niemand ze daartoe zoeken, zoo kan ook de handeling, die als straf werd bedoeld, en in de eerste plaats als zoodanig bedoeld moest worden, beschouwd worden uit het oogpunt van haar bijkomstige gevolgen. Zoo maakt de werking der straf mede reeds het leven in een bepaalden levenskring, ook die waar opvoeding en onderwijs wonen, mogelijk. Ze draagt bij tot de uitwendig onberispelijke handeling, de legaliteit, ze verhindert de openbaring van de verkeerde gezindheid. Maar tevens werkt ze in op het verstand en gemoed van den gestrafte. Ze doet hem duidelijker beseffen, dat er een rechtsorde bestaat, en dat deze gehandhaafd behoort te worden. Ze roept den onstuimigen impulsen een halt toe en kan tot nadenken stemmen, waarbij de rechtsovertreding kan gevoeld worden als uiting der verkeerde gezindheid.

Zoo kan in allerlei opzicht de handeling, die als straf is bedoeld, per accidens meewerken aan datgene, waartoe de tucht in 't algemeen dient, het versterken der goede neigingen en der geoefendheid ze te volgen, het onderdrukken der verkeerde neigingen. En nu is het juist de taak van den opvoeder, wiens oog steeds op de zedelijke vorming moet gericht zijn, ook de straf — die zelf geen maatregel van tucht is — in dienst te stellen van die tucht, ze zoo aan te wenden en te belichten, dat ze niet verbittert, maar verbetert. En omgekeerd moet hij trachten door de middelen der tucht de overtredingen te voorkomen en zoo de straf overbodig te maken.

Hieruit volgt, dat de openbaring van een verkeerde gezindheid, b.v. afgunst, voorzoover die zich niet uit in krenking van anderen, niet met straf te behandelen is. Men kan hiertegen opmerken, dat daar toch een schending van het recht Gods