is toegevoegd aan uw favorieten.

De betekenis van de psychologie van de theologische praxis. De psychotherapie tegen de achtergrond der christelijk-reformatorische wereldbeschouwing. De waarde van de psychologie voor het practische pastorale werk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen al meer van elkaar vervreemd raken, maar dat er ook tussen ons beider wetenschap steeds meer divergentie zich begint te openbaren met al de spanningen, die daarvan nu eenmaal bijna altijd het onvermijdelijk gevolg zijn.

In het algemeen genomen lopen wij dat risico in de verhouding van natuurwetenschappen en geesteswetenschappen. Maar vooral met betrekking tot de psychologie en de theologie, die in zeker opzicht zoveel met elkaar gemeen hebben, is daar een behoorlijke kans, dat ze in een verhouding van „feindliche Brüder" tot elkaar komen te staan, 'k Meen echter, dat wij alles in het werk dienen te stellen om dat gevaar te vermijden. Als Calvinisten geloven wij in de eenheid der wetenschap. Maar daarom zullen wij practisch en concreet, ook wat deze wetenschappen betreft, die eenheid moeten zoeken te bewaren. En dat niet, doordat de een over de ander heerst of zich door de ander laat overheersen. Ook hier geldt het beginsel van de souvereiniteit in eigen kring, wat insluit, dat b.v. de theologie geen enkel recht heeft om zich suprematie over de psychologie aan te matigen. Maar krachtens de eenheid van het beginsel der wetenschap als zodanig — wat niet minder belangrijk is dan de souvereiniteit in eigen kring der afzonderlijke wetenschappen — zijn wij ervan overtuigd, dat ook in dit opzicht geen wezenlijke antinomie mogelijk is.

Bovendien dienen wij ook niet uit het oog te verliezen, dat vakwetenschappen in het algemeen, en dat ook de psychologie en de theologie, theoretisch en in de practijk, elkaar nodig hebben en niet dan tot wederzijdse schade elkaar kunnen negeren.

En nu eindelijk nog een derde vooropmerking, 'k Ben mij bewust, dat wij ons hier op een enigszins précair gebied bevinden. Er liggen hier nogal wat gevoeligheden. Wij zullen moeten oppassen, dat wij die niet nog vermeerderen.

Enige jaren geleden heeft Dr Schoep in zijn brochure „Religie en neurose" in zekere zin hetzelfde vraagstuk aangesneden. Maar, al zijn daar in zijn betoog elementen, waarvoor ik sympathie kan gevoelen, ik betreur het, dat de vragen door hem toch zo worden gesteld, dat het voor een vruchtbare discussie nu niet bepaald bevorderlijk kan heten, 'k Meen, dat wij moeten oppassen dat wij hier niet te gauw schermen met invectieven als valse synthese enz.