is toegevoegd aan uw favorieten.

Memorie van consideratiën, ten dienste van het Provinciaal kerkbestuur van Noord-Holland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Der 1870 ; en ook deze zijn aan liet Classikaal bestuur nimmer officieel medegedeeld. Meergenoemd art 25 toch is voortgekomen uit art. 93 van het Reglement, gearresteerd bij Koninklijk Besluit van den 7lleu Januari 181G : „de huishoudelijke belangen der gemeente zullen voor het overige, overeenkomstig de algemeene verordeningen, door plaatselijke Reglementen onder 's Konings goedkeuring kunnen worden geregeld". Daar slaat voor liel overige op de voorafgaande artt. 90 en 92, zoodat onder vigueur der Koninklijke verordeningen op de administratie der kerkelijke fondsen van geene dat onderwerp regelende en in art. 93 vallende plaatselijke reglementen sprake kon zijn. In 1810 was in Amsterdam, toen daar nog niemand aan de oprichting van een algemeen genootschap dacht, de Groote Kerkeraad door de Gemeente belast om in haar naam het beheer van haar gered kerkegoed aan eene bijzondere Commissie op te dragen en toe te vertrouwen en op grond van art. 73 van het Provinciaal reglement voor Noord- en ZuidHolland,vastgesteld bij Koninklijk besluit van 12 November 1819 N°. (55, heeft de Koning het behoud dezer in 1810 ingestelde wijze van beheer bij besluit van den 8ston JU1 i 1820 Nu. 67, bij wege van dispensatie toegestaan. Deze rechtstoestand duurde in 1859 nog altijd voort, zoodat destijds de Algemeene Kerkeraad het sedert herhaaldelijk gewijzigd reglement niet vastgesteld heeft op grond van art. 25 Algemeen Reglement, schoon toenmaals reeds lang in werking, noch krachtens de bevoegdheid, door hem aan de verordeningen van het algemeene genootschap ontleend, maar integendeel, geheel buiten die verordeningen om, ze geput heeft uit de van de gemeente in 1810 ontvangen opdracht en de haar instandhoudende Koninklijke dispensatie. En zoo hij zich ook na den lsten April 1869 in dat recht heeft gehandhaafd, deed hij het, volgens de eigen erkentenis van het Classikaal bestuur, uitsluitend op grond van het hem door de stemming van den 17<Jen Maart 1869 gegeven mandaat. Irtusschen dat de stemgerechtigde mannelijke ledematen geene reglementen, zooals in art. 25 Algemeen Reglement bedoeld worden, valideeren kunnen, behoeft evenmin betoog, als dat de wetgever, die wijzigt, het doet in de uitoefening van dezelfde betrekking, waarin hij het gewijzigde heeft vastgesteld. De leden van den Amsterdamschen Kerkeraad van den 21sten April 1859, toen de Koninklijke dispensatie hen nog beschermde, oefenden geene kerkelijke betrekking uit, hun opgedragen door de verordeningen van het algemeen genootschap, noch ter zake van een onderwerp, waaromtrent hunne bevoegdheid aan die verordeningen onderworpen werd geacht. Eu datzelfde geldt voor de kerkeraadsleden van den 12de<i April 1875 en van den 14,lei: December 1885. Door het vaststellen van het reglement van 1859, of van daarin gebrachte wijzigingen, kunnen die kerkeraadsleden zich nooit schuldig gemaakt hebben aan vergrijp in de uitoefening van kerkelijke betrekkingen in den