is toegevoegd aan uw favorieten.

Memorie van consideratiën, ten dienste van het Provinciaal kerkbestuur van Noord-Holland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geenerlei wetscliennis bevat, en dat betoog met gelijke onpartijdigheid en onbevangenheid te overwegen, alsof het zich over de quaestie nooit uitgelaten had. Eerst het praeindicium uit te spreken en dan pas als rechter op te treden, is met den aard eener eerlijke rechtspleging kwalijk overeen te brengen.

Welke kerkelijke verordening nu heeft de Kerkeraad door de besluiten van 14 December jl. overtreden ? Het besluit van het Classikaal bestuur van den 21 sten December zwijgt hieromtrent. Enkel uit de Memorie van den lsten Februari, hoewel als processtuk ten eenenmale informeel, kan men omtrent de grieven, die dat bestuur tegen de bedoelde besluiten heeft, eenig licht putten. Daar toch vindt men ze, blzz. 19 tot 21 opgesomd.

Art. 1 van het reglement van 1875 luidde: „De bevoegdheid van den Algemeenen Kerkeraad in deze — kan nooit of nimmer op eenig hooger of subintreerend kerkelijk bestuur overgaan" (nu volgen de 14 December geschrapte woorden) „en is slechts geldig, zoolang de wettigheid van den kerkeraad als zoodanig niet betwist wordt. Wordt deze betwist, dan kunnen krachtens deze bevoegdheid geen besluiten genomen of handelingen verricht worden, die den beslaanden toestand konden wijzigen voor en aleer hel verschil op wettige wijze is ten einde gebracht waarvoor eenvoudig in de plaats trad: „of door zulk een bestuur worden gecontroleerd of beperkt

Dat geschrapt werd, wat volgens de genoemde Memorie „een onoverkomelijke hinderpaal was om te doen, waartoe men blijkbaar hel plan had" (alsof de onderstelde geheime bedoelingen het besluit zelf vitieeren) zal voorzeker het Provinciaal Kerkbestuur toejuichen, want volgens zijn besluit van den 16de» Februari heeft juist door het opnemen dier slotbepaling in art. 1 van het Reglement de Kerkeraad vï'n den 12'len April 1875 zijne bevoegdheid zoo schromelijk te buiten gegaan.

Als beklaagd blijft alzoo enkel het amendement over. Daaromtrent zegt de Memorie: „mocht nu geen enkel hooger bestuur de bevoegdheid, die de Kerkeraad bedoelde, controleeren, dan mocht ook allerminst het Classikaal bestuur handelen volgens art. 21 van het Algemeen Reglement.''

Het aangehaalde art. 21 zegt: „de Kerkeraden geven, wanneer zij verkeerdheden ontdekken in de administratie der kerkelijke goederen daarvan kennis aan het Classikaal bestuur."

Dat Bestuur wordt hier alzoo aangewezen als het College, dat kennis krijgt. Maar is kennis krijgen hetzelfde als controleeren ? Het artikel is blijkbaar geschreven in de onderstelling, dat kerkvoogden, zooals in den regel het geval is en volgens de bij de vaststelling van het artikel nog