is toegevoegd aan uw favorieten.

Memorie van consideratiën, ten dienste van het Provinciaal kerkbestuur van Noord-Holland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

altijd vigeerende, door den Koning vastgestelde provinciale reglementen het geval zijn moest, beheeren onafhankelijk van den Kerkeraad. Ontdekt nu deze, dat er malversatie plaats heeft gehad, zoo opent liet artikel hem den weg om tegen kerkvoogden de hulp van liet hooger bestuur in te roepen. De exceptioneele bevoegdheid van den Algemeenen Kerkeraad, waarover in art. 1 van het Amsterdamsche Algemeen reglement en instructie voor de Commissie lol liet Bestuur over de kerkgebouwen enz., sprake is, bestaat ondertusschen, zooals aldaar in den aanvang gezegd wordt, in niets minder dan hierin, dat „de Commissie, krachlens den last door den Algemeenen Kerkeraad op haar verstrekt, in naam der Nederduitsche Hervormde gemeente het haar toevertrouwd beheer uitoefent". Te Amsterdam dus, waar de Commissie, die als kerkvoogdij fungeert, ten eenenmale van den Algemeenen Kerkeraad als liaren lastgever afhankelijk is, zou bij het ontdekken van verkeerdheden in hare administratie de Kerkeraad niet de toevlucht behoeven te nemen tot beklag aan het Classikaal bestuur, als zelf aanstonds aan die verkeerdheden paal en perk kunnende stellen. Maar dit daargelaten, wie kan in ernst beweren, dat de Kerkeraad aan de Commissie een vrijbrief heeft willen uitreiken om malversatie te plegen, of dat hij door de instructie dier Commissie vast te stellen afstand zou hebben kunnen en willen doen ten behoeve dier eventueele malversanten van zijn recht 0111 de ontdekte verkeerdheden, des geraden achtende, ter kennis van het Classikaal bestuur te brengen ?

Is nu echter die bevoegdheid van den Algemeenen Kerkeraad te Amsterdam, om de lastgever der Commissie en de tusschenpersoon tusschen haar en de Gemeente te zijn, iets, dat volgens de verordeningen van het algemeen genootschap aan de controle of beperking van eenig hooger of subintreerend kerkelijk bestuur onderworpen is? Immers neen, want die bevoegdheid heeft de Kerkeraad van de Gemeente verkregen in 1810, en bij die gelegenheid (Hoofdst. III, art. 3 van het toen door haar goedgekeurd reglement) heeft de gemeente „het aan de commissie in de tijd lot renen grondregel voorgeschreven, 0111 de voornoemde en andere goederen der Gemeente voor dezelve als een onvervreemdbaar eigendom te bewaren, en bepaald 0111 dezelve nimmer aan eenig ander bestuur over te geven."

Waarin steekt het bedreven kwaad?

De verandering van art. 5 prijst het Classikaal bestuur als eene verbetering.

Die van art. 8 keurt het af, doch niet wegens strijd met eenige kerkelijke verordening, maar 0111 het vooronderstelde doel; 11.1. om des noodig