is toegevoegd aan uw favorieten.

Prins Willem van Oranje

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bui van zuinigheid heeft hij eens 28 man kokspersoneel afge* dankt en toen hij in 1567 de Nederlanden verliet, had hij nog een honderd bedienden bij zich. De weelde eischte destijds niet alleen sterke beenen, maar ook een sterke maag en een sterk hoofd, want op zijn gastmalen werd veel gegeten en stevig gedronken. Hij bezat beide en kon ongestraft als eerste meedoen aan het tamelijk ongebonden leven, zooals vele Nederlandsche grooten toen leidden. Zijn beminnelijkheid en zijn eenvoud schijnen er niet onder te hebben geleden; innemend en natuurlijk is hij altijd gebleven. Karei V schijnt hem wel gemoogd te hebben en van eenige antipathie bij den nieuwen heerscher, Philips II, een stillen en wat teruggetrokken jongen man, blijkt aanvankelijk niets. Aanzien en geschiktheid leken hem moeiteloos omhoog te zullen dragen; hooge posten, de landvoogdij in het hertogdom Milaan, zelfs het onderkoningschap in Napels zouden op den duur misschien binnen zijn bereik komen. Zijn op* neming in de orde van het Gulden Vlies, zijn benoeming tot lid van den Raad van State, andere onderscheidingen en op* drachten mocht iemand van zijn aanzien en veelzijdige bruik* baarheid wel als zijn natuurlijk recht beschouwen. Toen Philips II in 1559 de Nederlanden verliet, benoemde hij hem tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Niemand kon toen nog denken, dat hij hier eens een levenstaak zou vinden. In al de acht jaren, dat hij hier koninklijk stadhouder geweest is, heeft hij er alles te zamen niet meer dan enkele maanden doorgebracht. Raden van den Hove van Holland, raden van den Hove van Utrecht en andere ambtenaren verrichtten het eigenlijke bestuurswerk in dagelijkschen arbeid; de stadhouder was een groot heer in de verte, met wien zij correspondeerden of aan wien ze soms iemand der hunnen zonden om te overleggen en die alleen maar zoo nu en dan, bij bijzondere gelegenheden overkwam. Weinig thuis zal hij zich hier gevoeld hebben, in dit land van burgers en boeren, van schippers en visschers, waar de steden talrijk maar klein waren, de adel iets plattelandsch had en het publieke leven den hoofschen zwier en de uitbundigheid miste, waaraan men in het Zuiden gewoon was.

De kracht van verzet, die in de beide zeeprovinciën van het afgelegen stadhouderschap sluimerde, zou pas ten volle ont* waken in 1572; het Voorspel van den 80*jarigen oorlog, tusschen 1559 en 1567, heeft zich in het Zuiden afgespeeld.

Met een grootschen opzet begon dit niet; eer met een bedrijf van intrigue. Philips had zijn halfzuster als landvoogdes achter*