Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van verheven pathetische woorden. „Sum calvus et calvinista — ik ben kaal en Calvinist — en die wil ik sterven", zegt hij eens op een oogenblik, als een ander misschien een zwaar beginsel# woord gesproken zou hebben. Er zijn wel andere geloofsuitingen van hem bekend, een paar indrukwekkende zelfs, maar ik weet niet, of men die mag houden voor opflikkeringen van een ge# stadig brandend licht des geloofs, dat zijn innerlijk leven be# schenen heeft. Tot de later zoogenaamde „preciesen" heeft hij in elk geval nooit behoord. Doorgaans — niet altijd — was hij een getrouw kerkganger, doch in het stijve pak van de Calvi# nistische levenstucht gevoelde hij zich niet behagelijk; veront# waardigd heeft hij zich eens getoond niet tegenover hen, die vonden dat bij een bruiloft een dansje paste, doch tegen hen, die dit als zondig afkeurden. Trouwens, ook toen zijn gelaat zich reeds rimpelde, had hij volgens een tijdgenoot nog „vrolijcke oogen" en was hij „daer het te pas quam, ghenoeghlyc ende vol scherts, sonderlinghe over taeffel, als oft hy ghene sorghe oft swaricheyt opt herte hadde ghehadt". Maar dit daargelaten: vóór alles ging hem als publiek persoon tot het laatst vrijheid van geweten, liberteyt der conscientiën; telkens weer vloeien hem die woorden uit de pen. Geen weerstand evenwel heeft hij kunnen bieden aan den drang, die aan de Roomschen alleen maar tolerantie voor hun innerlijke gevoelens wilde laten. Al spoedig is de Katholieke eeredienst in Holland en Zeeland ver# boden. Zijn standpunt vindt men in den religievrede, dien hij in 1578 voor alle Nederlanden heeft zoeken ingevoerd te krijgen, volgens welken „een yeghelyck" zou „mogen Godt dienen nae het verstant, dat hem ingegheven is ende soo hy ten uytersten daghe sal willen verantwoorden". Noch de felle Protestanten, noch de heftige Katholieken hadden begrip voor de barmhartige redelijk# heid van zulk een houding, evenmin als hij het had voor de harde eenzijdigheid, waarmee een overtuigde den andersdenkende kan haten.

Maar afgezien van bestuursregeling en kerkelijke schikkingen, de eerste en dagelijksche zorg was in de jaren 1572 tot 1576 den vijand uit het land te krijgen. Ik behoef U niets te vertellen van de belegeringen, van de guerilla in het polderland. Ik her# inner U alleen maar aan de donkere dagen, toen het eenige leger, dat van buiten af hulp heeft trachten te brengen onder Christoffel van den Palts en zijn beide broeders op de Mookerhei verslagen was en men van de aanvoerders maar niets meer vernam. „Je vous veulx bien confesser ouvertement", schrijft hij dan aan

Sluiten