is toegevoegd aan uw favorieten.

Afwerping van het juk der synodale hierarchie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diening ontzet wordt, mag derhalve nimmer aan deze ontzetting vrijheid ontleenen, om zijne bediening te onderlaten, tenzij het hem op goede en deugdelijke gronden gebleken zij, dat de op aarde gewezen uitspraak tevens ook de mtspraak van zijn Koning daarboven in de hemelen zij.

§ 3. Evenzeer echter heeft een iegelijk wel toe te zien, dat hij door verblinding voor eigen schuld of partijdige vooringenomenheid tegen zijnen rechter, aan dezen plicht tot geestelijke onderzoeking geen vrijbrief ontleene, om een ambt, dat hij met slechts naar menschelijk feilbaar oordeel, maar ook naar den wil c es Heeren verloor, op aanmatiging van eigen onfeilbaarheid te willen behouden.

De verzoeking hiertoe kan voor het vleesch somwijlen sterk en schoonschijnend zijn, en toch zou een iegelijk, die op zulk een wijs- eigen zvillekeur tegenover de ordinantiën des Heeren stelde, niet aan anderen een zegen, maar aan zichzelven een oordeel in zijn ambt bedienen.

Ook wij die ons thans door de hoogste Kerkelijke rechtbank in het Hervormd

Kerkgenootschap bij eindgewijsde uit ons ambt ontzet zien, hebben ons alzoo voor

weeerier zonde te wachten. Eenerzijds voor de zonde, dat we een ambt

onbediend zouden laten, dat wel een menschelijke rechtbank ons afnam, maar

zvaarmt met onze Koning ons ontsloeg. En anderzijds voor de even bedenkelijke

zonde om, bijaldien we niet slechts door menschen, maar ook door Koning

Jezus ontzet waren, ons desniettemin een bediening te blijven aanmatigen, die rlij ons ontnam. ö

Iets wat niet enkel voor de Predikanten onder ons geldt, als zijnde tiun bediening van duurzamen aard, maar evenzeer van de Ouderlingen en Diakenen, wier dienst na korter of langer tijd afloopt. Want immers de vraag waarop het hier aankomt is volstrekt niet, of wellicht uit anderen oorzake onze Bediening ten einde loopt of neergelegd moet worden, maar uitsluitend of wij uit ons ambt ons hebben terug te trekken op grond van Hetgeen ons in het tegen ons gevjezen vonnis wordt ten laste gelegd.

hJ t/VS ,r£'fe' bJ d,it: onde!'zoek n-u dient te gelden, dat in goeden Kerkstaat het oordee der Kerken m haar wettige vergaderingen boven het oordeel van particuliere kringen van geloovigen of van den enkele staat. Maar dat evenzeer in tijden van Kerkelijke ontreddering de Geest des Heeren kan wijken uit de Kerkelijke vergaderingen of Colleges, zoodat de geestelijke

ï'nP;nah Van "ui61? der §Ctrouwe beliJdcrs of ook van den enkele onder hen in haar recht komt te staan tegenover die der Kerken.

En alzoo het nu openbaar en kennelijk is en door een iegelijk wordt toegegeven, dat de staat ónzer Kerken niet is gelijk hij zijn moet, maar zelfs n zeer liooge mate ontredderd is, dient allereerst onderzocht of onze Kerkelijke rechtbanken, die ten deze rechtspraken, geacht kunnen en ver-

XST," binden! ™ —'*>** h« «"hel *r enkele

Bij dit onderzoek nu blijkt al aanstonds: 10. dat onze Kerkelijke rechtbanken zich met binden aan de autoriteit van het Woord van onzen Koninons gegeven in de Heilige Schriftuur; 20. dat zij het gebed in den naam'

inkrimpen" ' °f ^ a'thanS t0t ZuIk een onbeduidendheid

nntvs 1 behoefte om de gemeenschap des Heiligen Geestes te

ntvangen eei het tegendeel blijkt; 30. dat in deze rechtbanken mannen zitten die openbaarhjk en schaamteloos uitkomen voor hun loochening van de GodZt fSTTHeerfn Christ"s> van »jn wondere Vleeschwording, van zijn Opstan-

g n lemelvaart en van het goddelijk vermogen van zijn Verlossingswerk,