Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

treding en ontrouw bewust waren, als waardoor wij ten volle verdiend hadden door den Koning der Kerk ontzet te worden, zoo zal er wel niemand onzer zijn, die niet, in de teederheid zijner ziele getroffen, het schuldig hoofd in ootmoed voor den Kenner der harten buigt. Dit echter was evenzoo een jaar geleden, toen we niet met Kerkelijke ontzetting vervolgd werden, zonder dat deswege iemand onzer zich destijds verplicht of gerechtigd achtte van zijn plaats weg te loopen. En zoo staat het immers ook nu nog met onze ambtsbroederen, die men niet ontzette, en die deswege evenmin willig aftreden. Zulk een overweging mag dus niet misleidend werken. En het is om tegen deze misleiding beveiligd te zijn, dat we de vraag derhalve moeten beperken tot dat bepaalde misdrijf, waarvoor men ons ontzet heeft, en dan nog wel onder vergelijking van dit misdrijf met anderer bedrijf, dat men ^«gestraft liet tot zelfs in onze rechters.

En zoo nu opgevat, hoe zou er dan voor ons gezamenlijk of voor één van ons ook maar de minste twijfel kunnen rijzen, of de handeling, die men ons als misdrijf aanrekent, was bij al onze gebrekkigheid, juist een zwakke poging, cm aan onzen Koning niet ontrouw te worden, en kan dat dus nooit oorzaak zijn dat Koning Jezus zelf ons uit ons ambt zou hebben ontzet.

Te midden van een schriklijke verwoesting der Kerk van Amsterdam in haar Kerkeraad opgetreden, hebben we niet geweten, waar aan te vangen om in deze uitgebreide Kerk, en gebonden aan haar log raderwerk, dezen Augiasstal van verloochening in belijdenis en wandel te reinigen. Vandaar onze langdurige schuldige tekortkoming en het zondige dulden van zooveel als toch voor God niet goed was. Maar in welke slapheid we ook hangen bleven, dit stond toch bij ons allen van meet af vast: Een last of bevel, om iets te doen dat klaarlijk tegen den Woorde Gods inging, zouden we weigeren te gehoorzamen.

Dit wist men in ons midden; dit wisten onze vijanden; en juist omdat ze dit wisten, hebben ze ons lang ontzien.

Geheel onverhoeds en zonder dat iemand onzer er op rekende is de bekende Attestenzaak ons dan ook overgekomen, en als lasterlijk en onwaar mogen we voor God en menschen elk zeggen en vermoeden van ons werpen, alsof deze zaak door ons ware gezocht.

Noch gezocht noch ingeroepen noch uitgelokt, maar geheel buiten ons toedoen op onzen weg gelegd is deze zaak. En het was zonder eenig vermoeden zelfs, dat ze tot zoo ernstige gevolgen zou leiden, dat we in haar behandeling op eenige trouw aan onzen Koning bedacht waren.

Niet toch alleen wij, maar ook de leeraren Krayenbelt, Deetman, Geselschap, Brummelkamp, Lütge, Aalders, Van der Horst, en zoovelen meer, verklaarden (zoolang er nog geen vervolging dreigde, hierin met ons eenparig) dat het uitreiken der Attesten tegen den Wooide Gods was; en het is eeniglijk uit dien hoofde dat ook wij verklaarden den tegen-Schriftuurlijken last der hoogere Besturen, om ze toch uit te reiken, te zullen weerstaan. En niet eerst in het beheersgeschil (waarvan destijds nog niets te vermoeden viel), maar wel terdege reeds in de Attesten-zaak- schreef ons de Synodale Commissie: dat we wel behoorden te weten wat we deden, want dat, weigerden we, de teerling geworpen en terugkeer onmogelijk was.

Al onze strijd ontspon zich derhalve uit deze onze ambtelijke weigering om den Woorde Gods, d. i. den last van onzen Koning, ongehoorzaam te zijn. En van den anderen kant strekte alle gewelddadigheid der Kerkelijke Besturen uitsluitend, om ons óf die weigering te doen intrekken, óf wel ons uit hoofde van die weigering met ontzetting, d. i. met den ambtelijken dood, te straffen.

Sluiten