is toegevoegd aan uw favorieten.

Kort verhaal van den kerkelijken strijd te Amsterdam, in de eerste dagen van Januari 1886

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

persoon van den door haar aangestelden, nog steeds in het gebouw wonenden koster.

3°. In geen geval was „de president van het Classikaal bestuur" en evenmin „het Classikaal Bestuur doende wat des Kerkeraads is" bezitter van, noch rechthebbende op het bezit eener kerk.

4°. Eindelijk bestond, reeds sedert 1875, deze bepaling: „wanneer een lid der Commissie (Kerkvoogdij) onder kerkelijke censuur, van wat aard ook, mocht gesteld zijn, beslist die Commissie of en in hoever deze censuur gevolgen heeft voor de rechten van den betrokkene, hem krachtens eenige bepaling van dit Reglement toekomende of toegekend. In elk geval blijft tol op deze beslissing de zaak in haar geheel en de betrokkene in functie."

Het was noodig op deze feiten te wijzen, ten einde het volgende wel te begrijpen.

De Voorzitter van de Kerkvoogden, Rutgers, begon in deze zijne qualiteit den bewaarders te gelasten heen te gaan. Deze weigerden. Hij begaf zich daarop met een sleutel naar de straks bedoelde zaal. Dit werd belet door de bewaarders, die — wat ook door den Kerkvoogd werd goedgekeurd — volgens den uitdrukkelijk hun opgedragen last, onmiddellijk de politie inriepen.

Toen de President-Kerkvoogd den ingeroepen politie-agenten verzocht de bewaarders te verwijderen, gingen deze den inspecteur halen, om te vernemen wat zij doen moesten. In dien tusschentijd hadden de vier of vijf arbeiders, die de President-Kerkvoogd in zijn dienst had, zeer wel de beide arbeiders van Ds. Westhoff uit de deur kunnen en mogen zetten. Doch het was geenszins het voornemen van den President-Kerkvoogd om het bezit te handhaven, anders dan met behulp der politie, vooral daar hij zich bewust was, dat in eene zaak als deze uit eene kleine handtastelijkheid de betreurenswaardigste gevolgen konden ontstaan.

De inspecteur verklaarde op zijn beurt zich te moeten onthouden van het verleenen van assistentie, doch noodigde ons uit naar den sectie-commissaris van politie, den heer Stork, te gaan. Daar gekomen, poogden wij den Commissaris aan te toonen, niet alleen dat de Kerkvoogdij recht had op het beheer en bezit der gebouwen van de Nieuwe Kerk) blijkens de afdoende bepalingen der reglementen), maar ook nog steeds in het feitelijk bezit daarvan was, vermits de kosterij bewoond werd door den koster, aangesteld door die Kerkvoogdij. Wij beweerden derhalve, dat de politie