Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teruggebleven. Hij had zeker kunnen zijn van onze belangstelling als hij ons had betoogd, hoe zijne denkbeelden in overeenstemming gebracht kunnen worden met de gelijkstelling van man en vrouw op moreel gebied. Wij zouden gaarne onze medewerking verleenen aan de bestrijding van de treurige ziekte, die uit de prostitutie voortspruit, want wij verschillen niet in het doel, wel in de middelen. Men kan ook niet zeggen: de medicus wil niet voor oningewijden en niet-deskundigen spreken, want ten slotte moet hij dit toch doen, als hij van een Gemeenteraad eischt de reglementeering te handhaven of in te voeren, en bovendien op ons Congres zou hij ook medici hebben gevonden.

Hoe men het dus wende of keere, alles stuit af op het eerste punt, met prijzenswaardige oprechtheid op nieuwen thans voor eigen rekening door den Hoogleeraar uitgesproken.

Is dit duidelijk ingezien, dan bespeurt men ook, hoe onredelijk de beschuldiging is, alsof onze Vereeniging zich gewaagd zou hebben op een onbekend terrein.

Immers — daargelaten dat in ons bestuur twee medici zitting hebben — zoodra de Hoogleeraar de moreele kwestie voorop stelt, geeft hij daarmede al de voorrechten prijs, die hij als medicus meent te hebben. Op moreel gebied is ieder lid van het Congres, wiens leven eerbaar en achtbaar is, even bevoegd om te oordeelen als onze geachte tegenstander.

Doch al is de rest van des schrijvers betoog door bovenstaande opmerkingen eigenlijk overbodig geworden, wij zullen ook daaraan onze aandacht wijden en ik geef het volgende in overweging.

1°. Het is geheel onjuist te beweren, dat ik persoonlijk mij ooit op medisch terrein zou hebben begeven. Herhaaldelijk heb ik verzocht, dat men in de talrijke brochures en in de 10 jaargangen van het Maandblad: Getuigen en Redden zou aanwijzen, waar ik dit gedaan had — maar ik heb geen ander antwoord gekregen dan een herhaalde onbewezen beschuldiging.

O o

Sluiten