is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan Dr. A. Kuyper

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik Iaat thans in 't kort don loop volgen van hot betoog door mij tegen bedoelde resolutie gevoerd.

De Heer Tak heeft in 1892 een kiesrecht voorgesteld, dat in Frankrijk en Duitsehland Algemeen Stemrecht heet en door U „finale kiesrechtuitbreiding" wordt genoemd. Het onderscheid tusschen beide soorten van kiesrecht bestaat toch alleen hierin, dat in beide genoemde landen „de schrijfproef" niet gevorderd wordt, (een eisch waartegen ook do Deputatenvergadering zich heeft verzet en die nu wel zal worden afgestemd) en dat in Frankrijk niet de bedeelden, slechts de veroordeelde bedelaars, doch daarentegen nog veel meer categorieën van personen dan in 's hoeren Tak's voorstellen worden uitgesloten 1).

1) Zie Mr. C. Bake. „De kiesbevoegdheid volgens de hedendaagsche wetgevingen, 1887", waarin het kiesrecht in Frankrijk aldus wordt omschreven: Algemeene voorwaarden: Staatsburgerschap; genot der burgerlijke en burgerschapsrechten; verblijf van ten minste G maanden in eene gemeente. Bijzondere voorwaarden: Geene (algemeen kiesrecht). Uitgestotenen: 1°. Veroordeelden tot lijf- en onteerende of tot enkel onteerende straffen; — 2°. Zij, die bij correctioneel vonnis van het kiesrecht ontzet zijn; — 3°. Zij, die wegens misdaad met aanneming van verzachtende omstandigheden tot gevangenisstraf zijn veroordeeld; — 4°. Zij, die veroordeeld zijn tot 3 maanden gevangenisstraf wegens het verkoopen van vervalschte dranken, bedrog ten aanzien van de hoedanigheid der koopwaar, gebruik van valsche gewichten; — 5°. Zij, die wegens diefstal, oplichting, misbruik van vertrouwen, verduistering door openbare ambtenaren gepleegd, of de misdrijven tegen de zeden in artt. 330 en 334 C. P. omschreven, zijn veroordeeld; — 6°. Zij, die veroordeeld zijn door toepassing van art. 8 der wet van 17 Mei 1819, en vau art. 3 van het decreet van 11 Augustus 1818 (beide door de wet op de drukpers van 1881 afgeschaft); — 7°. Zij, die tot meer dan 3 maandeu gevangenisstraf zijn veroordeeld wegens verkiezingsinisdrijven; — 8°. Notarissen, griffiers en dienaren der openbare macht (officiers ministeriel!), krachtens vonnissen of rechterlijke uitspraken ontslagen; — 9°. Veroordeelden wegens landlooperij of bedelarij ; — 10°. Zij, die tot drie maanden gevangenisstraf of meer veroordeeld zijn door toepassing van de artt. 432, 443— 447 en 452 C. P.; — 11". Zij, die schuldig zijn verklaard aan de misdrijven, waartegen voorzien is door artt. 410 en 411 C. P.; en door de wet van 21 Mei 1836 tegen de loterijen; — 12°. Militairen, tot zekere straften veroordeeld; 13°. Personen, veroordeeld tot gevangenisstraf krachtens artt. 38, 41, 43 en 45 der wet van 21 Maart 1833, (sur Ie recrutement de Varmée); — 14°. Personen, tot gevangenisstraf veroordeeld krachtens art. 1 der wet van 27 Maart 1851; 15°. Zij, die wegens woeker veroordeeld zijn; — 10°. De onder curateele gestelden; — 17°. De niet-gerehabiliteerde gefailleerden; —- 18°. Zij, die tot gevangenisstraf van meer dan eene maand veroordeeld zijn wegens oproer, beleedigingen of gewelddadigheden tegen ambtenaren, beleedigingen tegen gezworenen in hunne betrekking of tegen getuigen, of wegens de misdrijven voorzien in