is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan Dr. A. Kuyper

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men. Het Centraal-Comité vergaderde Dinsdag en moest dus vóóraf met dit gevoelen der Kamerleden worden bekend gemaakt. Daarom verscheen de verklaring den dag te voren. Ik bid u , rechtvaardigt nu dit feit Uwe verbolgenheid en het besluit om, met verbreking van alle banden, iederen onderteekenaar te weren uit de Staten-Generaal?

Herhaaldelijk is door U en door sommige onzer vrienden gepoogd, mij af te zonderen van hot tiental ten doode opgeschrevenen. Ik heb echter geweigerd mij van hen „loste maken , niet omdat die Heeren mijne persoonlijke vrienden zijn, want dat zijn de meesten hunner niet: ook niet, zooals Gij vermoeddet, uit zeker „gevoel van ridderlijkheid'", maar eenvoudig omdat mijn gevoel van recht in verzet kwam tegen de bijkans unanieme en m. i, onrechtvaardige veroordeeling van die mannen, en ik niet begreep waarom, zoo die veroordeeling juist was, voor mij ecne uitzondering mocht worden gemaakt. Ik ben geen kenner der harten en houd mij dus aan het gesprokene woord; voor een antirevolutionair is, behoort althans, elke oneerlijkheid, ook politieke oneerlijkheid zonde te zijn, en daarom weiger ik zonder eenig bowjjs te onderstellen, dat mijne antirevolutionaire medeleden niet meenen wat zij zeggen. Door als de natuurlijkste zaak ter wereld het tegendeel aan te nemen, demoraliseert men zelf dc natie en maakt men elk eerlijk man afkeerig van politiek.

AY at den Heer Huber betreft, met welk recht zou ik dien Heer conservatief mogen noemen, nu hij door het CentraalComité, waarvan Gij zelf Voorzitter zijt, als antirevolutionair is erkend, en door een antirevolutionair district — ik meen nog wel met hulp van Ds. Diemer! — is afgevaardigd? Met welk recht kon dezen voorstemmer van de Mkuiers amendement belet worden onze verklaring mede te onderteekenen en mochten aan die onderteekening onderstellingen worden verbonden, van welker onjuistheid Gij uzelven bewust zijt of behoordet te zijn?

Gjj hebt, zeide ik, tegen vele oud-Kamerleden groot onrecht gepleegd. Leg ik U hiermede ten laste, dat Gij onrecht hebt willen plegen ? Ik mag dat niet aannemen. Gij