is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan Dr. A. Kuyper

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strijdt voor eene goede zaak, eene zaak die ook de mijne is, voor de vrijheden en de rechten van het volk in al zijn rangen en standen. Maar in Uwen ijver - zoo althans komt het mij voor, — houdt Gij iedereen die niet onmiddellijk met U meegaat voor een principieelen tegenstander, en zijt daardoor vaak tegenover Uwe eigen geestverwanten uitermate onbillijk, al wil ik terstond toegeven dat deze vaak gelegenheid geven tot het doen ontstaan van misverstand. Vergun mij nader uit een te zetten waarom Uwe beschuldigin": van conservatisme zoo door en door onwaar is.

o ö

Naar mijne innige overtuiging vereenzelvigt Gij het conservatisme door Mr. Groen van Prinsterer zoo krachtig en afdoend bestreden met iets, dat er niets mee te maken heeft.

Wat door Mr. Groen van P. onder conservatisme verstaan werd, behoef ik U natuurlijk niet te zeggen ; Gij hebt het zelf in schoone taal wederom in Uwe rede ter Deputatenvergadering uitgesproken. Zóó weinig was de Heer Groen van P. voor de conservatieven , omdat zij te behoudend waren, bevreesd, dat hij schrijven kon: „zoo we geen bondgenootschap verlangen, goede verstandhouding, zamenwerking is, in het algemeen belang, onze hartelijke wensch. Er is wederzjjdsche sympathie. Zoo dikwerf de conservatieve partij aan het traditionele, bijkans zou ik zeggen, aan het sentimentele van hare vaderlandsche gezindheid, meer dan aan den eisch van gematigd-liberalisme, gehoor geeft, zal er, ook zonder overleg of afspraak, zamenwerking zijn. Op finantieel, op koloniaal, op wetenschappelijk gebied zijn wij in menig opzicht homogeen." Men moest echter in het oog houden, „dat de conservatieven in beginsel met de liberalen eensgezind zijn ; dat beginsel sterker is dan sympathie; dat ze, hoe conservatief ook, verloren laten gaan en zelf ^tot het verlies medewerken van al wat, ook volgens hen, behoudenswaard is". 1)

Maar door U wordt onder conservatisme nog iets anders begrepen; iets van geheel anderen aard; nl. behoudzucht, gehechtheid aan het bestaande, vrees voor verandering; menschelijko eigenschappen derhalve die niet het gevolg

1) Aan de Kiezers VI bi. 17, en II bl. 6 (1864).