Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om te beslissen. Tegenover de Commissie stonden twee kerkeraden, beide bewerende recht te hebben op de Kerkgebouwen. De vraag of een Kerkeraad, ook nadat hij zich losgemaakt heeft van het bestaande verband, al dan niet wettig is, moet door den burgerlijken rechter beslist worden; dus vóór die beslissing moest de commissie den feitelijken toestand handhaven. Hoe dit geschieden moest hing derhalve geheel af van de rechtsbeschouwing der fungeerende commissie. Deelde deze in de synodale opvatting, dan zou zij den synodalen Kerkeraad hebben erkend, bewerende dat zij anders een wijziging in den bestaanden toestand zou brengen. Was zij antisynodaal gezind, dan zou zij gezegd hebben: door de losmaking is een nieuwe toestand ontstaan; dien mag ik niet wijzigen; dus ik houd mij aan den nieuwen feitelijken toestand en erken den anti-synodalen Kerkeraad, te meer omdat deze ook de facto bestaande is. In welken zin, of op welke gronden ook, in elk geval besliste de commissie zelve oppermachtig en definitief. En nu was zij bevoegd op die wijze te beslissen, niet alleen in het door ons nu gestelde geval, maar in alle gevallen waarin de wettigheid van den Kerkeraad als zoodanig betwist werd. Niet alleen dus, wanneer er in een bijzonder aangewezen geval twee Kerkeraden tegenover elkaar stonden, maar zoo dikwijls of zij zelve öf iemand anders die wettigheid verkozen te betwisten.

4°. Vulde zij zich zelve aan door coöptatie, gedurende

Sluiten