is toegevoegd aan uw favorieten.

Vier tijdvragen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het al een primaire. Hei is als een geloof, waarvoor men pleit, zij het al een zeer primitief geloof. Want bloed en bodem mogen realiteiten zijn — zij vormen toch niet het wezen van het mensch-zijn en het mensch-waardige. En brood en werk mogen onmisbaar zijn, zij kunnen de vraag toch niet smoren: Eten — waartoe? Werken — waarvoor? Het is alles zoo primitief, en dat onder menschen, die allerminst primitief zijn. Het is alles zoo geloovig, maar van een soort van geloof, dat niet uitreikt boven de behoeften en belangen van het vitale leven. Hier missen wij, wat alleen in de crisis hulp kan bieden, een geloof, ja, maar een, dat het karakter draagt van een hooger beroep, een eind-beroep op een macht, een gezag, die uitreiken boven den mensch en het leven, ook zooals deze in onze generatie hunne uitdrukking vinden. Ik bedoel een beroep op het Andere, den Andere, dan alles wat wij weten en kunnen en zijn.

Het is niet waar, dat de arbeid aan het leven zijn waarde geeft, want de arbeid behoort zelf tot het leven, waarmede hij zich bezig houdt. Het is niet waar, dat de cultuur aan het leven zijn waarde geeft, want de cultuur is slechts een vorm van het leven, waaraan zij vorm geeft. Het is niet waar, dat de wetenschap aan het leven zijn waarde geeft, want de wetenschap bestaat alleen bij de gratie van datgene, waarvan zij weet heeft. Maar het is wèl waar, dat het geloof aan het leven zijn waarde geeft, want het geloof beroept zich op Hem, die boven alle leven staat, als de levende God, die de Schepper en Drager en Rechter van alle leven is. Zonder dit hooger beroep, en dit als eindberoep, wordt het leven een afgod. „Ehrfurcht vor dem Leben", de leus van Albert Schweitzer, heeft natuurlijk groote waarde. Maar als laatste leus, als geloofsbelijdenis en levensregel gebruikt, is zij niet houdbaar. Moet ik, zonder onderscheid, het leven eerbiedigen, dan kan evenzeer de tuberkelbacil als de arts zijn recht laten gelden. Er moet iets zijn, dat, zooals wij het Simmel hoorden uitdrukken, „meer dan leven is en dat in den Bijbel wordt bedoeld, als gesproken wordt van Gods goedertierenheid, die beter is dan het leven en van God zelf als den Heer van alle leven.

Zoo is de Gods-vraag aan de orde gekomen, die altijd en overal de laatste vraag is, welke menschen kunnen stellen. Zij