Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatste. Men is spoedig gereed en kan zich van den godsdienst afmaken met beroep op den godsdienst zelf. Maar is dit billijk? Het tweede is moeilijk. Het eischt alweer wat ik reeds noemde: liooger beroep, van datgene wat reilt en zeilt op datgene zooals het wezen moet, van wat de menschen zeggen en doen op wat God tot de menschen zegt en met hen doet. Het is een beroep van de menschen, en ook van uzelven, op God en op hen, die ons God, den levende, nabij brengen. Wij staan hier voor een ontzaglijk misverstand, dat telkens terugkeert, niet alleen bij ongodsdienstigen, maar ook bij godsdienstigen. De band tusschen God en den mensch wordt niet van beneden naar boven, maar van boven naar beneden gelegd. De godsdienst begint niet bij den mensch, maar bij God. Het initiatief komt altijd van Gods zijde. De betrekking is die van woord en antwoord, van geven en ontvangen, van liefde en wederliefde. Wij kunnen God niet met onze hand aanwijzen of met onze rede bewijzen. Wij mogen niet handtastelijk met Hem zijn en wij kunnen over Hem niet beschikken. God wordt door ons niet uitgedacht of uitgevonden. Niet wij roepen Hem tot de orde, maar Hij roept ons tot de orde. Het is niet de vraag, of God kan bestaan voor ons, maar of wij kunnen bestaan voor Hem. God behoeft zich tegenover ons niet te rechtvaardigen, maar wij moeten gerechtvaardigd worden voor Hem. Men bewijst Gods bestaan niet door bewijzen, maar door aanbidding, heeft Kierkegaard gezegd. In laatster instantie bewijst God zichzelf door zich aan den mensch te openbaren en op te dringen, hem te overweldigen, hem te brengen hetzij tot onrust en angst, hetzij tot gehoorzaamheid en vertrouwen. De ware God-zoekers zijn de door God gezochten, de ware God-ontdekkers de door God ontdekten. De ware geloovigen zijn niet de zelf-verzekerden, maar de van God-verzekerden en slechts in zooverre zijn zij zeker van zichzelven als zij zeker zijn van God. God is niet de conclusie van eene redeneering of het postulaat van menschelijke behoeften en verlangens. Hij staat niet aan het eind, maar aan het begin. Hij is niet voorwerp, maar onderwerp, niet degene, met wien gehandeld wordt, maar die zelf handelt, „uit wien en door wien en tot wien alle dingen zijn", zooals de Bijbel getuigt.

Ziehier een beroep op het geloof, in al zijn eenvoud. Maar deze

Sluiten