is toegevoegd aan uw favorieten.

Vier tijdvragen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenvoud beteekent een totalen, diametralen ommekeer van den mensch, die niet meer van zich uit, maar van God uit begint te leven. Zie hier een crisis, waarbij elke andere crisis kinderspel is, de totale verandering van levens-richting en levenshouding. Gij vindt dit vreemd, onaannemelijk, onmogelijk? Laat mij u tegemoet komen met eene vergelijking. Ik neem aan, dat recht, waarheid en liefde voor u niet slechts klanken zijn, maar werkelijkheden, waarvoor gij u eerbiedig buigt. Dat er in deze geheele wereld, hoe dan ook, recht bestaat en dat het recht onschendbaar is, dat er waarheid bestaat en dat de waarheid onkreukbaar is, dat er liefde bestaat en dat de liefde heilig is — dat kunt gij niet aanwijzen, zooals gij een of ander voorwerp kunt aanwijzen; gij kunt het ook niet bewijzen, zooals een mathematische stelling wordt bewezen. Het dringt zich aan u op; het laat zich gelden, zonder meer. Welnu, in deze richting moet gij u begeven, als het gaat om God en den dienst van God. Verder kan ik u niet tegemoet komen. Want de godsdienst is iets geheel anders dan welke betrekking, hoe nobel, ook. Hij heeft met God te doen, direct en uitsluitend. Hier komt gij in eene wereld, waar aannemelijkheden en waarschijnlijkheden geen zin hebben, waar aanwijzingen en bewijzen te kort schieten — waar de mensch ophoudt de leiding te nemen en het oordeel uit te spreken, omdat hij in beslag genomen wordt, geheel en onvoorwaardelijk, door Een, die 6terker is dan hij, als door den God van zijn leven. Kierkegaard heeft eens gezegd, dat voorzienigheid en geloof categorieën der vertwijfeling zijn. Hij bedoelde daarmede, dat de mensch aan alles moet vertwijfelen om tot het geloof in God te komen. De lichten op aarde moeten soms uitgaan om mij te doen letten op de stille lichten, die aan den hemel staan. Eerst als de grond onder mijne voeten wankelt, strek ik mijn hand uit naar een steunpunt buiten mij. Zou onze generatie hier niet aan toe kunnen zijn? Oude vroomheid placht te zeggen: ,,'s menschen ver-legenheid is Gods ge-legenheid". Als ik aan de grens gekomen ben van mijn kennen en kunnen, en besef, dat die grens de rand van een afgrond is, zoodat ik duizel, kan in mij de bereidheid geboren worden om de gebaren op te merken, die van de overzijde worden gemaakt en naar de stem te luisteren, die van daar klinkt. Dit geschiedt niet vanzelf, automatisch. In het geestelijke leven geschiedt