Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\V/ie de vraag gesteld krijgt naar de mogelijkheid van ken" nis, denkt allicht aan dien vorm van kennis, dien we wetenschap noemen. Zeker doet hij dat, indien de vraag wordt gesteld in een wetenschappelijk milieu. Nu is dit wetenschappelijk kennen wel een zeer bijzondere en belangrijke vorm van het kennen, maar daarmee geenszins synoniem. Veelal is men zich dat niet bewust; ook de man van wetenschap geeft zich daarvan niet altijd rekenschap.

Wie zich in eenige vraag van wetenschap verdiept, is daarop geheel geconcentreerd. Reeds de term „zich verdiepen", dien ik gebruikte, wijst daarop. Of hij zijn laboratorium rondloopt en zijn proeven controleert, dan wel in zijn studeerkamer over zijn boeken gebogen zit, of hij op een wandeling altijd weer wordt afgemat door het ééne ding, dat hij maar niet helder kan zien, dan wel in een slapeloozen nacht met zijn gedachten altijd om hetzelfde punt cirkelt: het ééne probleem heeft zijn aandacht volkomen opgezogen, er bestaat geen ander voor hem. Onze wetenschap is de wetenschap der specialiteiten. Dit is onvermijdelijk. Het weten heeft zoo grooten omvang aangenomen, het heeft zich tegelijkertijd zóó gecompliceerd in al fijner vertakkingen, dat ook de meest begaafde slechts een klein stuk waarlijk kan beheerschen. Maar het is een gevaar tevens. De volledige concentratie op een enkel punt doet vergeten, dat het antwoord op de vraag, waarmee de onderzoeker bezig is, niet te geven is zonder antwoord op een geheel andere reeks vragen tegelijk.

Iedere wetenschappelijke uitspraak onderstelt den geheelen stand der wetenschap van het oogenblik. De wetenschap is één geheel. Een antwoord, dat niet zou passen in dit geheel, wordt niet geduld. Bewust of onbewust blijft de onderzoeker voor zijn vraag binnen het kader dat het geheel hem stelt. Verbreekt hij dat, dan komt hij voor de moeilijkheid te staan of niet elders een leemte schuilt, een onjuistheid, of zijn resultaat niet andere dingen twijfelachtig maakt. Er mag immers geen tegenspraak zijn. De man van wetenschap laat zich daardoor leiden: Zijn vraag is immers een vraag die met de andere samenhangt. Er is éénheid in het weten.

En het is nog meer dat ondersteld wordt in het antwoord: het zijn de fundamenteele begrippen der wetenschap zelf. De natuuronderzoeker stelt de wetmatigheid van zekere ver-

Sluiten