is toegevoegd aan uw favorieten.

Vier tijdvragen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in deze richting dat toch eigenlijk ook niet wil. Hij kan zich niet geheel geven.

Dan komt óf de tevredenheid met wat toch niet bevredigt, de zelfgenoegzaamheid van een kennis die opgeblazen maakt, waarbij veelal verloren gaat wat bereikt werd, öf de honger naar meer, de roep om verlossing uit de eenzaamheid, die altijd voor een stuk blijft in onze verhouding tot de menschen. Dan gaat ook hier de mensch meer vragen. Is er dan niet één, die kent en liefheeft en daarin ook gekend wordt? Dan wil de mensch het gij in de ik - gij verhouding met hoofdletters schrijven, zoekt hij naar één, die hem meer is dan allen. Weer staat hij voor de vraag naar dien eenen, dien hij niet anders dan God kan noemen.

Wanneer wij dit alles overdenken, dan zien wij dat onze dorst naar kennis tenslotte niet wordt gelescht, dat wij in het zoeken verder gaand, voor een muur komen, wetend dat daarachter het land ligt waarheen ons verlangen ons trekt, maar een muur, die niet is op te ruimen en niet over te klimmen. We willen het absolute in de relativiteit. Zoodra men als zoovelen thans zegt: alle weten is relatief, maakt men een uitzondering voor deze uitspraak zelf, erkent men dat er waarheid is. Met die uitspraak van het relativisme is het relativisme opgeheven. Er is waarheid en de geest van een mensch is zoo aangelegd, dat hij die begeert te kennen. Hij wil het absolute. Het ellendige woord, dat het zoeken naar de waarheid meer is dan het vinden, is óf gebrek aan ernst öf zelfbedrog. Het zoeken zelf zou dan spel worden. De zoeker, die verder wil, wordt steeds meer overtuigd dat gevonden kan worden, maar een weg ontdekt hij niet. Wij willen het absolute, de volstrekte waarheid — of bever nog, wij zoeken den Absolute, aan wien wij ons overgeven, die goed en kwaad scheidt, maar we weten niet hoe hem te bereiken.

Er is een diep woord in een bijbelboek, dat zelfs bijbellezers weinig inzien en voor de buitenstaanders volkomen onbekend is geworden, in Prediker: God heeft de eeuwigheidsbehoefte in het hart der menschen gelegd, maar van Gods daden van het begin tot het einde verstaat de mensch niets. (III : 11—12). Eeuwigheidsbehoefte dat is niet de behoefte naar onsterfelijkheid, het al maar voortduren van dit leven, zooals veelal wordt