is toegevoegd aan uw favorieten.

Vier tijdvragen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren te vermenigvuldigen, maar de centrale zijn hiermee weergegeven.

Wij zouden geen menschen van de 20ste eeuw zijn, wanneer ook maar één daarvan ons niet bezig hield, ja benauwde, wij zouden geen zwakke, schuldige menschen zijn, wanneer wij niet eerlijk erkenden, dat van dit alles ook in het diepst en sterkst geloovige leven veel voor radicale critiek openligt. Bij de inzichten, die in onzen tijd gemeen goed schijnen, bij de ontnuchtering, die oorlog, revolutie en crisis den nadenkenden ondergaan deden, kan geen eerlijk mensch de neiging ontkennen op deze tegenwerpingen, die inderdaad de roos treffen, ja te zeggen. Bijna had ik gezegd „een volmondig ja", en 't is nog niet zoo lang geleden, dat deze royale instemming inderdaad te wachten viel. Ik denk aan de dagen, waarin de oogen al meer opengingen voor den geweldigen invloed, dien de technisch-economische levenssfeer en hare veranderingen op ons gansche denken en voelen, op de inhouden van ons zedelijk en wijsgeerig, ons aesthetisch en religieus besef uitoefenden. Ook onder hen, die Marx gedachtenwereld afwezen, waren er weinigen, die zich onttrekken konden aan den ban van een wereldbeschouwing, die ons den geestelijken strijd deed zien als een tragi-komisch spel van naïeve denkers, die zich vrij, d.w.z. alleen gebonden door de wet der idee waanden, maar in werkelijkheid niet meer waren dan de speelbal van elementaire krachten als de strijd om t dagelijksch brood en het verlangen naar wat grijpbaar stoffelijk geluk. Ik denk ook aan de dagen, toen de wetenschap der ziel op de breede massa der beschaafden beslag ging leggen en 't gedachtenleven doortrokken werd van het besef, dat niet klare, redelijke wilsbesluiten, maar donkere onbewuste driften onze daden en ons lot beheerschten. Hoe ijdel en voos moesten al die groote woorden van zedelijke verheffing en volstrekte waarheid hem schijnen, die gewonnen was voor het gezichtspunt, dat in laatste instantie slechts één wezenlijke onderscheiding ons leven beweegt: die tusschen lust en onlust, al mag dan soms een verlangen naar realiteit een kleine remmende werking behouden. Aandoenlijk klonk hem alle prediking in de ooren, welke immers niet meer kon zijn dan een bevrediging van het hartstochtelijk hunkeren naar een „levensleugen", die nog wat moed en hoop liet aan het dood-