Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volstrekt oppermachtig, gaat uit naar wat onzen lust bevredigt, in welken vorm dan ook. Het leven is een rijk gedekte tafel en wij wenschen niet beter dan vrijelijk toe te tasten. Wij kunnen die bevrediging zoo goed zoeken in 't zinnelijke als in 't gevoels- en verstandsleven, wij aanvaarden en verwerpen alles, naar mate het ons al dan niet aangenaam is. 't Onbewuste levensideaal is dan gediend worden, daarmee voedt zich zoowel onze heb- als onze heerschzucht. Met het lievelingswoord van de eerste jaren na den oorlog: wij willen ons uitleven. In vele levens komt dan het oogenblik, waarop deze verwachting hen in den steek laat. De wereld blijkt zich niet zoo bijster veel van onze begeerte aan te trekken, maar bovenal: wij leeren iets kennen van de walging van een alleen op zichzelf gericht leven. Dan krijgt een tot dusver onverstaanbaar woord, dat het „zaliger is te geven dan te ontvangen" een klaren klank. Niet gediend worden, maar dienen wordt de levenswet; de zedelijke hartstocht ontwaakt. Wij zien, hoe ons bestaan langs de oude lijn vastloopen moest in zinloosheid en werpen het roer om. Resoluut binden wij den strijd aan met al het vele, dat ons neertrekken wil naar de aarde en geven ons met geheel onze ziel aan ons werk, aan den kamp om maatschappelijk recht, aan den naaste-in-nood. Wie in deze worsteling met de machten van beneden ten einde toe gestreden hebben, zij zijn de nobelsten van ons geslacht. „Wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen". Hun leven is in durende spanning, in een onversaagde guerilla naar de volmaaktheid gericht; zij sparen zich nimmer, maar bouwen geduldig steen voor steen een toren op, die tot in den hemel reikt. Met inspanning van alle krachten loopen zij storm op het Koninkrijk der Hemelen. Jezus wist van zulk een geweldenaar, Johannes den Dooper, en hij noemde hem den grootste der menschenkinderen. Doch tegelijk slaat hier de bliksem van het Evangelie in: „maar de minste in het Koninkrijk der Hemelen is meer dan hij", en het trotsche bouwwerk ligt in gruizel. Wij moeten terug naar het ontvangen, naar het gediend worden, maar nu niet door de aarde en de menschen, maar door God zelf. Wij mogen het heil niet verwachten van onze eigen kracht en bereidheid tot zelfverloochening, wij moeten wagen te leven van Goddelijke liefdadigheid. Dat is voor den ernstig strevenden mensch de aller-

Sluiten