is toegevoegd aan uw favorieten.

Ons kerkelijk Diaconaat of Iets over den omvang van de roeping der Diakenen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar zal ook mijn diakonos zijn, en zoo iemand Mij „diakonèei d. i. dient — de Yader zal hem eeren." J)

In aansluiting met dezen laatsten zin van het woord: diakonein, door onzen Heiland zeiven eraan gehecht, werd dan ook later in den apostolischen tijd aan dit woord den zin van het bedienen des Evangelies gegeven.

Zie bijv. 2 Cor. 3 : 3 „gij," zegt Paulus daar tot de Gemeente, „zijt een brief van Christus," door onzen diakonèetheisa d. i. dienst of bediening — bereid gemaakt zijnde. 2)

Evenzoo bij 2 Cor. 8:19, alwaar Paulus spreekt van den broeder, dien lof heeft in 't Evangelie en die o. m. verkoren is door de G-em. om met hem te reizen, met de gave d. i. hier het Evangelie van Christus, die zegt hij: door ons „diakonoumeneei" bediend wordt, of in welke wij de gemeente dienen. ®> Sterker nog. In 1 Petr. 1:12 worden de profeten des O. V. in hunne kwaliteit van uitdeelers der genadeprediking diakenen genoemd; en in hoofdstuk 4:10 wordt dit geestelijk diakenschap opgedragen aan ieder ontwikkeld lid der gemeente, terwijl Paulus zelf bij Col. 1:23 en 25 als dienaar des Evangelies — zich diaken noemt.

Mogelijk is het denkbeeld niet al te naief, dat juist uit dien hoofde in de apostolische Kerk later vele diakenen van stoffelijke gaven, tegelijk diakenen van de geestelijke gaven waren, met andere woorden het Evangelie bedienden. Denk maar aan den diaken Philippus, *) en met dezen aan de 6 andere ambtsdragers in de Jeruzalemsche gemeente, die deze zeven immers koos om in 't vervolg meer bepaald den dienst der tafelen, schoon dan nog alleen ten behoeve van armen, dus nog niet van krank en waar te nemen, Hand. 6.

En daar nu t. w. bij Hand. 6 wordt het eerst in de H.

*) èótv ijJLO'l TLs

i/jLoi axohouSeiTU, y.ai OTOV slfJLÏ iyti, sxsï naï é diaxovo? ö êfiö? tvrxi êxv

TiV êfJLO'l SlXKOVtf Tl/X'/jlTSl ÜUTOV 6 7TaTVjp.

z) Siaxoj/ySeTcriz-ólp'' -//[jlüv.

3) ..... „<rvv ry %üpiTi TxvTtf rijj SiaKovovfj-éi/^ üCp'1 v.. r. A.

4) Handel. 8 : 5 en 26 in verb. m. hoofdst. 21 : 8.