Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bare school moet de godsdienst gebannen. Nu stuit dit zeer zeker vele moderne of laat ik liever zeggen: het stuit alle onderwijzers, die eenig belang stellen in den godsdienst, tegen de borst daarover niet te mogen spreken; maar dat offer moet gebracht, ter wille van het kind. De wet gebiedt niemands gevoelens te kwetsen, en de onderwijzer kan het niet anders, dan door den godsdienst te laten rusten."

Verder betoogt de schrijver dat de naam „God" zelfs niet genoemd moet worden, want er zijn immers kinderen, die thuis vernomen hebben dat er geen God bestaat, en dan zou het noemen van den naam God aanleiding kunnen geven tot spotternij. De onderwijzer zij een „religieus" mensch, maar hij noeme nooit den naam Gods. En als men dan vraagt wat deze religiositeit, los van God is, dan antwoordt de schrijver met N. van Kol: dat is datgene, wat diep in ons ligt; dat is ons „Zelf, ' „dat bij den Jood even heilig is als bij den Christen, en bij den Katholiek even heilig als bij den Protestant."

Nu vraag ik toch in gemoede: is het kwalijk te nemen dat ouders, die den godsdienst beschouwen als het voornaamste en gewichtigste van de geheele opvoeding — den godsdienst niet als „eerbied voor ons verborgen Zelf," maar als gehoorzaamheid aan den levenden, persoonlijken, geopenbaarden God des Bijbels — beangst worden wanneer zij zulk een geest zien heerschen en toenemen onder velen, zeer velen van de onderwijzers der openbare school ? Laat mij al weder een moderne tot tolk dezer bezorgdheid mogen uitkiezen. Het is de bekwame hand van de L. (Ds. H. de Lang) —

Sluiten