Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heeren, en hoog boven alle theorieën van menschlievendheid en verdraagzaamheid, zooals de wereld die leert, staat hun, wanneer het de eere geldt van Zijn naam ep Zijn waarheid, het woord huns Konings: nniet den vrede, maar het zwaard,.'"

Dat deze plicht tot besliste belijdenis, de liefde tot den naaste niet uitsluit, neen veeleer eischt, behoeft toch waarlijk niet in den breede te worden aangetoond. Dat wij onze vijandeD, hen, die ons persoonlijk hebben miskend en beleedigd, moeten liefhebben, en hun, die ons op de rechter wang slaan, in geduldige vergevensgezindheid ook de linker wang moeten toekeeren, blijft even waar als dat de Heiland spreekt: „wie zich mijns eu mijner woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon des menschen zich schamen, wanneer Hij komen zal in Zijne heerlijkheid, en in de heerlijkheid des Vaders en der heilige engelen."

De Heeren schijnen, blijkens den samenhang hunner woorden, te meenen dat ik in hen mijne „vijanden" zie, en zekerlijk is daar in de wijze, waarop zij mij te lijf zijn gegaan, wèl iets dat mij doet vreezen dat ik voor hen een „vijand" ben. Laat mij dan mogen verklaren dat er mijnerzijds geenerlei. vijandschap tegen hen in mijn hart gekoesterd wordt, en dat het mij ten allen tijde een voorrecht wezen zal hun een dienst te mogen bewijzen. Maar deze gezindheid kan bij mij samengaan met de hartgrondige verzekerdheid dat zulk een pleidooi voor de openbare school, als zij hebben geleverd, onmogelijk een bewijs voor de overtolligheid van het christelijk onderwijs heeten kan. En daarom —zoo sprak ik in mijne Rede, en zoo herhaal ik ook hier deze woorden, al worden ze ook door mijne be-

Sluiten