is toegevoegd aan uw favorieten.

Ons huis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voeren: „Er zijn rechtvaardigen die in hun gerechtigheid omkomen, en goddeloozen die in hun boosheid hun dagen verlengen" (VII: 15). Ook op aard is er profetie van gericht. Maar het gericht komt ook voor den Prediker hier namaals. Het stof moge voortaan in het graf rusten, „maar de geest keert weder tot God die hem gegeven heeft" (vs. 7), een uitspraak die niet in een pantheistisch in God verdwijnen mag opgelost, zoolang elk gericht ondenkbaar is zonder verantwoordelijkheid, en verantwoordelijkheid zonder persoonlek bestaan. En daarom niet op den klank af, maar op grond van 's Predikers eigen gedachtengang herhaal ik mijn gelijkstelling tusschen zijn woord en dat uit den Corintherbrief. Beiden zijn in strekking één en slechts daarin gescheiden, dat het „eeuwig huis" voor den Apostel alleen den gelukstaat en voor den Prediker, nog onbeslist, 't zij dan dien gelukstaat, 't zij het eeuwig verderf bedoelt.

Hiermee is tevens het standpunt gewonnen, van waar zich ons het recht verstand voor geheel dit boek des Predikers ontsluiten kan. Immers, waarin ook de zienswijzen ten opzichte van dit raadselachtig boek verschillen, dit stemmen allen toe, dat de deelen op het kunstigst zijn ineengezet, dat elk woord met zorg gekozen wierd, en dat in het laatste hoofdstuk de sleutel schuilt, die ons én de voorafgaande gedachten én de voorafgaande woordenkeus verklaart. En wat is dan de allesbeheerschende tegenstelling die in dit boek het probleem des levens vormt? De ééne term ervan kent ge: IJdelheid deri: ijdelheden, alles is ijdellieid!, het somber refrein straks tot twintigmaal met klimmenden nadruk herhaald. Maar wat staat nu daartegenover? Wat is de andere term der tegenstelling? Waar schuilt de andere pool, die aan dit