Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortkomt uit het Woord zijner kracht in het Natuurrijk en dat der Genade beide.

Is nu in dit werken Gods de regel voor het leven der menschen gegeven, dan volgt hieruit, dat ook bij deu mensch een huis behoort, een huis dat, met de eischen van zijn persoonlijkheid in overeenstemming, aan zijn behoefte beantwoordt, voor zijn werkkring past, dat niet het huis eens anderen maar alleenzijn eigen huis zijn kan, en niet door anderen voor hem is opgetrokken, maar door de werking van zijn eigen persoonlijkheid ontstaat.

Reeds hieruit blijkt, dat we van 's menschen huis sprekend, ons niet tot het huis van steen beperken mogen. Onder 's menschen huis verstaat de Schrift evenzeer zijn nakomelingschap, wat u reeds bij den veelgebezigden term „Davids huis", terstond in het oog springt. Maar meer nog bedoelt de Schrift waar ze van huis spreekt, 's menschen levenssfeer, de levende en doode have. die hem toebehoort en het terrein afbakent waarbinnen zijn werkzaamheid zich beweegt. Als tot Israël in de woestijn, dat nog geen huizen bezat, gezegd wordt: Gij zult niet begeeren uws naasten huis, dan kan hiermee niet bedoeld zyn en is hiermee niet bedoeld „het huis van steen", maar het huisgezinde, dat ter voortkoming van misverstand aldus omschreven wordt: Gij zult niet begeeren uws naasten huis, d. w. z.: gij zult niet begeeren zijn vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat uws naasten is!

Ook wij volgen dat spraakgebruik, en zoo vaak wij betuigen, dat „Oost West t'huis best" is, bedoelt niemand daarmee het huis van hout en tichel, maar zijn levenskring, zijn gezin, zijn stad of dorp, ja zelfs zijn

Sluiten