is toegevoegd aan uw favorieten.

Ons huis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III.

„De mensch gaat naar zijn eeuwig huis." Ziedaar ten slotte de levenswet, die aan het leven zijn ernst geeft.

De mensch gaat naar zijn eeuwig huis. Dus is zijn leven op aarde een „gaan," een zich bewegen, een rusteloos pogen. Het is gericht op een doel. Er komt, er wordt iets uit. Straffeloos verspelen kan men het leven niet.

Gij gaat, ge zijt op weg naar dat huis, ge beweegt er u heen, ook al meent ge stil te staan, ook al worsteldet ge tegen. Al zijt ge willoos, al is het meer een gesleept worden, dan gaan, toch gaat ge, al glijdt ge meer uws ondanks voort, dan dat ge met vasten welbewusten tred, u voortbeweegt, toch ontkomt ge aan die klem van uw levenswet niet. Elke dag is op dien weg een schrede verder, elke daad, elke levensuiting een stap te meer, die op dien weg slechts eenmaal kan gezet worden. Die levenswet is een kracht, een macht waarin geheel de ordening der schepping en daarin de allen weerstand bindende wil van uw Schepper op u aandringt. Ge tast om niet. Noch om u, noch in u is een kracht die den drang der van God gestelde levensordening zou kunnen breken. Gij moet voort, ge kunt geen weerstand bieden, en wie ge ook zyt, of het met uw wil of tegen uw begeeren is, gij gaat naar uw eeuwig huis, ge gingt er heen al de dagen die uw leven reeds had; in dat gaan kan geen stilstand komen, eer dat eeuwig huis is bereikt.

Zegt mij, zonk u dan nog nooit de ernst in de ziel,