is toegevoegd aan uw favorieten.

Jezus Christus de middelaar des Nieuwen Testaments, de waarheid der H. Schrift en de wetenschap der Christelijke Godgeleerdheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van groote beteekenis. Pat tracht ik u nu in enkele breede trekken voor oogen te stellen.

I.

Wie en wat is Jezus? Van stonde aan heeft Jezus' optreden in hooge en lage kringen beroering gebracht. Het antwoord, dat de menschen toen op die vraag gaven, hing saam met hun denkbeelden aangaande den Messias, dien de Joden verwachtten. „Wat dunkt u van den Christus?" d.i. „hoedanig een Christus verwacht gij"? „Wiens Zoon is Hij?" Door die vraag wilde Jezus den Farizeën en Schriftgeleerden duidelijk maken, Malth. 22 : 42—46, dat hun verwerping van Hem de vrucht was van hunne vleeschelijke, verwereldlijkte, Messiasidee. Zij zeiden tot Hem: „Davids zoon." Maar toen Jezus verder vroeg, met aanhaling van Ps. 110 : 1, „Hoe noemt Hem dan David, in den Geest, zijnen Heer?" „kon niemand Hem een woord antwoorden, noch iemand durfde Hem van dien dag aan (iets) meer vragen." Zij hebben echter niet nagelaten kwalijk van Hem te spreken; weinige dagen later stond Jezus in boeien voor bunnen Raad, en werd Hij als een Godslasteraar des doods schuldig verklaard, omdat Hij onder eede betuigde, waarlijk te zijn de Christus, de Zoon des levenden Gods. Matth. 26 : 59-68. Hierin beschamen die Joden de Schriftgeleerden van dezen tijd, welke zeggen, in geheel bet N. T. niet te kunnen vinden eenig bewijs, dat Jezus zelf zich hield voor den Zoon van God, den beloofden Messias; het Sanhedrin heeft dat wel goed begrepen; zij hebben Hem om die belijdenis gekruisigd. Daaruit is het dan ook daghelder, dat ieder die een Jezus verkondigt die niet is de Christus, de Zoon van God, niet van den Jezus der heilige historie spreekt.

De namen JEZUS en CHRISTUS behooren bijeen. JEZUS CHRISTUS, zoo noemen Hem al de evangeliën, al de boeken des N. T. Zóó noemt Hij ook zelf zich in het hoogepriesterlijk gebed, waarmee Hij Zijn profetischen arbeid op aarde besluit: „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt." De kennis van God en van Jezus Christus isééne: door Jezus als den Christus kennen wij den Vader en komen wij tot Hem. Wat Jezus hier aan „Jezus Christus" toekent, getuigt Hij elders van zich als de Zoon. „Niemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren." Matth. 11 : 27. Hij is het Woord, dat van eeuwigheid bij God was, en ook zelf God was, zonder Wien niets van al het geschapene is ontstaan en bestaat, Joh. 1 : 1—5. Hij, de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, heeft God gezien, gelijk geen schepsel