is toegevoegd aan uw favorieten.

Jezus Christus de middelaar des Nieuwen Testaments, de waarheid der H. Schrift en de wetenschap der Christelijke Godgeleerdheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hem ziet en zien kan, en heeft Hem ons verklaard: vs. 18. In de volheid des tijds heeft God Zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet. Gal. 4 : 4 en 5.

De engel Gods, die Zijne aanstaande geboorte aan Maria boodschapte, heeft hem „JEZUS" genoemd, en ook de uitlegging van dien Naam gegeven: „Want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hunne zonden". Als Christus, Messias, Gezalfde, heeft Hem de engel aangekondigd aan de herders van Bethlehem : „dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids." Luc. 2 : 11. Al de gezalfden des O. T.: profeten, priesters, en koningen waren voorbeelding van Jezus, die de Gezalfde is. Toen Israël Hem had gedood, heeft God Hem uit de dooden opgewekt en verhoogd aan Zijne rechterhand, „Hem tot Heere en Christus gemaakt." Hand. 2 : 36. In Zijne heerlijkheid als Heere en Hoofd der Gemeente, Heere der heeren en Koning der koningen, heeft God, tegen Satan met Joden en Heidenen in, de waarheid van Jezus' Messiasbelijdenis bezegeld, het historisch-profetisch8) evangelie van den Kerstnacht vervuld.

Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods, is de Middelaar Gods en der menschen, 1 Tim. 2 : 5, de Middelaar des Nieuwen Testaments. Hij alleen kan dit zijn. „Middelaar", /xs.<riTr,q, is iemand die in het midden staat tusschen twee partijen. Deze benaming komt niet voor in onze vertaling van het Oude Testament; wel in de Grieksche overzetting, de Septuaginta, r.1. in Job 9 vs. 33: „och, of er een middelaar tusschen ons ware." Zakelijk verschilt ze niet van de onze : „er is geen scheidsman tusschen ons. . . ." De zaak, de leer, des Middelaars, is ook in het O. T. duidelijk genoeg. In de H. Schrift heeft „Middelaar" den bepaalden zin van tusschenpersoon tusschen God

8) Het „historisch-profetisch" evangelie. In de bekendmaking van Jezus' geboorte, Luc. 2 : 11, kenschetst de engel Hem als „de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, og 'écrrc \piTroq Kopioq." Feit was toen reeds de geboorte van den Christus, den Gezalfde en Beloofde, wiens komst de herders verwachtten naar de Schriften des O. T. ; maar profetisch noemt hij Hem dm Heere: de naam, waarmee het N. T. Jezus noemt na Zijne verheerlijking aan de rechterhand Gods. In Hand. 2 : 36 vinden we ook deze beide zelfde titels van den gekruisten Jezus, doch daar in omgekeerde orde : „dat God Hem tot een. öf den, Heere en Christus gemaakt heeft." Waarom in die orde? Omdat God Hem door de opwekking en de verheerlijking aan Zijne rechterhand tot „Heere" heeft gemaakt, d.i. Hem den naam en de eere en macht van „de Heere" heeft gegeven, en daardoor getoond, dat Hij, Jezus, en niemand anders, „Christus", de Zaligmaker, is. Zóó teekent steeds vooruit de profetie de lijn der historie, en komt zij in de historie tot vervulling en openbaring van de volheid harer beteekenis, hare verwerkelijking en voleinding.