Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te spreken, van Heringa 35) tot Van Heusde en de Groninger School9lS), van Hofstede de Groot tot Scholten en ICuenen 27), van Kuenen tot

dieser Manner in einer höheren Ordnung fortsetzen. Das bedeutet letztlich noch weitere Perspektiven. Im Ritschlianismus gelangte man wieder zu den Ausgangspunkten der Eeformation, zu den historischen Grundgedanken Luthers zurück" ? „Die neue Richtung hat in deutlich erkennbaren Weise Fühlung mit dem Humanismus oder der Renaissance. Vielleicht werden Luther und Erasmus noch einmal wider den Streit führen müssen." Zie ook K. Schware, Geschiedenis der jongste Theologie, met inl. v. prof. Scholten. 1857.

25) Jod. Heringa schreef in 1793 eenVertoog over Het vereischt gebruik en hedendaagsch misbruik der Kritiek, in de behandelinge der H. Schriften. Uit dit Vertoog, met goud bekroond door het Haagsch Genootschap tot verdediging (!) van den Christelijken Godsdienst, en —„uitgegeven na voorgaande visitatie en approbatie der Theologische Faculteit van 's Lands Hoogeschool te Leyden," en andere werken is o.a. duidelijk te zien, hoever toen reeds de toongevers in Kerk en Hoogescholen werden en waren mede uitgerukt en uitgevallen uit hun vastigheid {p-Tr\piyfj.cq) 2 Petr. 3 :17, en, trots ware en goede opmerkingen en argumenten, met hun „Zacht aan!" het geloof aan de Schrift en haar leer van den Christus hebben helpen afbreken, in den waan dat zij het verdedigden. Wie niet onvoorwaardelijk de S. gelooft als het Woord Gods, en daarvan uitgaat bij tekstkritiek, exegese, c. a., staat niet in het geloof der Schrift, maar wankelt, tast in het donker, en wordt licht als de vloed bewogen en omgevoerd met alle wind der leering. Ef. 4 : 14.

26) Over de Gron. School zie o.a. De Groninger School in haren strijd, Brief aan Prof. Hofstede de Groot, door Br. J. I. Doedes, 1851, en Brie Brieven, door id., met het antwoord „Aan Dr. J. I. Doedes," door Dr. L. S. P. Meyboom, 1851. 'tGaat in die geschriften over de onfeilbaarheid der ff. Schrift, de Godheid van den Heere Jezus Christus, en de uitdelging der schuld door het bloed des kruises, door de Gron. School bestreden. Dr. M protesteert tegen de bewering: dat deze drie dogmatische twistpunten de hoofdzaak zouden wezen van den strijd. „De hoofdzaak is : Vrijheid van onderzoek en prediking voor elk en voor allen, zonder anderen band dan dien, welken het evangelie ons aanlegt" ; blz. 13. „het evangelie" n.1. volgens de Gron. Sch., „naar den mensch"; niet het evangelie der Schriften.

27) Wat er van de H. S. en de leer der Geref. Kerk onder de oogen en handen van Schol ten wordt, blijkt uit de stellingen aan het einde zijner voorrede van den vierden druk van „Be Leer der fferv. Kerk...", 1861. Lees slechts 2. „De erkenning der christelijke godsdienst als de ware, hangt niet af van eenig uiterlijk gezag, hetzij van kerk of overlevering, hetzij van de Schrift zelve, maar heeft haren grond in de openbaring der waarheid, die in Christus is, aan de rede en het geweten van den mensch." 8. „In J. C., Gods en 's menschen zoon, staan goddelijk en menschelijk, goddelijke openbaring en menschelijke kennis, niet als vreemde magten tegen elkander over. Voor Jezus bestond er geene bovennatuurlijke godskennis, geen wet, geen mysterie, maar in de volkomenheid van zijn godsdienstig leven openbaarde zich de hoogste adel der menschelijke natuur". En die man roemde het Gereformeerde en Gereformeerde beginselen als voortreffelijk boven alles, vooral om de leer van de Praedestinatie! Wel met recht critiseerde Dr. v. d. Linde — v.g. „23" — blz. 18, zijne leervoorstelling als Determinisme met pantheïstisch Monisme tot resultaat. „Die jetzt in Holland dominirende Theologie der Leydner Schule beweist die waarheid unserer Behauptung von neuenst. Diese Theologie geht von einer strengen Pradestinationslehre, von einem sogenannten ethischen Determinismus aus, und ihr Resultat ist ein entschieden

Sluiten