is toegevoegd aan uw favorieten.

Jezus Christus de middelaar des Nieuwen Testaments, de waarheid der H. Schrift en de wetenschap der Christelijke Godgeleerdheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zalfde! s«) Wij gelooven. Dat is enkel Gods genade; daarin is dus niet

33) Apologie in den waren zin des woords is goed en plichtmatig. In Philipp. 1 : 17 zegt Paulus, dat hij „tot apologie („verantwoording") van het Evangelie gezet is". En Petrus vermaant de geloovigen: „zijt altijd bereid tot apologie („verantwoording") aan een iegelijk die u rekenschap afeischt van de hoop die in u is, met zachtmoedigheid en vreeze". Deze apologie gaal uit van de verzekerheid des geloofs, dat de H. S. het Woord Gods en Jezus de Middelaar is. „Apologie" en apologeten" heeft echter een verdachten klank; reeds in de tweede eeuw begonnen de apologeten te beproeven, de waarheid Gods aannemelijk maken voor het verstand der heidensche wijzen door niet alleen uit de Schrift en naar de denkorde en in de taal der Schrift het evangelie van Christus te „verdedigen". Zoo licht komt men er toe: eerst langs „exegetischen" weg, door raaWefexegese, aan te toonen, dat dit ende dat toch niet bepaald in strijd is met wat de Schrift zegt; zoo wordt het pad gebaand om daarna het aanstootelijke in de geschiedenis, vooral de wonderen, en in de leer af te vijlen en te vergulden enz. In den laatsten tijd schijnt ook onder de Gereformeerden de waakzaamheid tegen min of meer concessieve apologie te verminderen, of wii men liever, het licht der oogen tot onderscheiding zwakker te worden.

Ik kan niet anders dan tegenover boeken als Wetensch. bijdragen tot bevestiging der O. Testamentische geschiedenis van Dr. G. F. Wright, nu door Dr. A. Kuyper met een voorrede bij het christelijke publiek ingeleid, te verwijzen naar de krachtige getuigenissen van Dr. K. tegen de apologetische richting vóór meer dan 20 j. Wright kon wel een leerling z\jn van v. d. Palm c.a. „Principiis obsta!"

Hoe noodig liet is, op de wacht te staan, blijkt o. a. ook uit een werkje van Prof Dr. A. W. Runzinger in Leipzig (A. Deichertsche Bh., 1907) „Zur apologetischen Aufgabe der evang. Kirche in der Gegenwart".

De schr. acht aanstelling van Beroepsapologeten een dringende „aukunftsaufgabe". Vanwege de Krisis „in die sie sich ihrem ganzen Bestande nach versetzt sieht" heeft de Kerk tegenwoordig zulke Apologetik ten zeerste noodig. Welke? Lees slechts de stellingen bij elk der twee voordrachten die het boekje bevat. In I, stelling 5, beweert hij dat het Konflikt tusschen de Natuur- en Geesteswetenschappen en de Christelijke Wereldbeschouwing, „nur dadurch kan gelost werden, dasz in gründlicher prinzipieller Auseinandersetzung mit den Gegnern das Existenzrecht der christlichen Weltanschauung im geistigen Leben der Gegenwart sowohl aus den Grundlagen des Glaubens als den Prinzipien der Wissenschaft heraus geltend gemacht wird." En in de toelichting van II, stelling 3: „Die apologetische Aufgabe der Kirche gestaltet sich gegenüber la (um ihrer Theologie) vorzugsweize theoretisch", wordt geleeraard, bl. 47: „Sie muszihren Standort im Lager der Wissenschaft, im Kreise ihrer Prinzipien, Methoden und Ergebnisse einnehmen; sie musz gelten lassen was dort als allgemein anerkannt gilt . . , um dan durch einen theoretisch-kritischen V ergleich die Vertraglichkeit von Weltwissenscbaft und Theologie nach zu weisen". Een apologie dus van „een akkoordje" tusschen de openbaring Gods en de wijsheid der menachen! „Und hier stehen wir alle a,uf den Schultern Imm Kants und Schleiermaehers", De H.S. leert, dat de Theologie alle wetenschappen heeft te verlichten met het licht der openbaring Gods, opdat ook zij God kennen en verheerlijken in al Zijne werken.

Men leze ook de artikelen van Br. J H. Adriani in Stemmen v. W. en V. van Mei-Juli 1908, over Dr. E. Dennet als apologeet, en houde zich gewaarschuwd, dat deze „apologeet" niet is een waar Schriftgeloovige, maar een dergenen die in de Schrift, b. v. het verhaal van de schepping, den zondeval enz., de grondgedachte afscheiden van de inkleeding, en als „grondgedachte" ijken dat wat voor hun begrip aannemelijk is. Om iets te noemen : „De afzonderlgke schepping van de vrouw {Gen. 2) acht hij een gedachte die niet aannemelijk is". — „Op het wondergeloof als zoodanig komt h«t niet aan. De wonderen van Christus, in 't verleden geschied,